40 onder 75

Ik ben niet thuis. Op dit moment bevind ik mij in Granada, de stad waar ik tien jaar geleden met een uitwisselingsprogramma mijn lerarenopleiding voor de Universiteit van Gent afrondde. Ik had dat toen, mag ik wel zeggen, uitstekend geregeld, want mijn diploma – Germaanse talen (Engels en Duits) – had met Spanje of Spaans niets te maken. Terwijl mijn vrienden vloekten op de nonsens die ze voorgeschoteld kregen (ik weet niet hoe het tegenwoordig is, maar ik ken niemand die tien jaar geleden kon vertellen dat hij/zij tijdens die lerarenopleiding na de reguliere universiteitsopleiding iets bijleerde), zat ik in Spanje in de zon, rookte af en toe een waterpijp en schreef na het afhaspelen van een paar vervangcursussen op een oude computer mijn eerste roman, De onzichtbare, die uiteindelijk twee jaar later, in januari 2004, verscheen. Die roman: dat ging als volgt. Ik had twee kamers in nogal slechte staat in het huis van een Italiaanse dame die aan yoga deed, kettingrookster was, hysterisch kon lachen en een fruitbar uitbaatte (die later failliet ging) aan de Plaza Larga in het Albaicin (die later failliet ging). Ik kookte linzensoep (toen mijn specialiteit, vandaag weiger ik nog kookgerei aan te raken), fietste als een gek door de smalle straatjes van de stad en ging met mijn toenmalige lief wandelen in de bergen. In oude schriftjes pende ik thuis of op café ideeën neer. Iedere dag las ik een beetje Tolstoi (waarom in godsnaam Tolstoi?) om ‘in de stemming te komen’. Ik had geen woordenboek, geen regels en geen idee wat ik aan het doen was, maar zette door en ineens was er een resultaat. Ik ben ook nog in een grot gaan slapen tussen zwervers en maakte daarover notities. Dit naïeve amateurisme, waarvoor ik mij vandaag zou schamen, was uiteraard fantastisch. Kortom, laat ik nu ik opnieuw door die straatjes dwaal maar liever niet te nostalgisch worden over die heerlijke tijd. Ik ben hier gekomen omdat ik dringend een weekje zonder bekenden om me heen aan mijn roman moest kunnen werken, en ik wilde de stad na tien jaar nog eens zien. Intussen, niet meer naïef en zelfs overdreven sceptisch (tenzij in geldzaken), moet ik toegeven dat ik niet eens meer mijn eigen geheugen vertrouw; voortdurend heb ik aha-momenten waarvan ik vervolgens begin te twijfelen of ze wel kloppen. Maar literatuur dus. Laat ik daar na tien nutteloze jaren – nuttig ware bijvoorbeeld geweest: ingenieur, politicus, sociaal werker, bankier – eens over nadenken. Sinds ik mijn debuutroman, of in ieder geval de eerste versie ervan afrondde, publiceerde ik naast mijn debuut nog drie prozawerken en twee dichtbundels, werkte deeltijds in secundair en hoger onderwijs, dronk op feestjes veel te veel wijn waarna ik tegen de eerste sukkel die ik te pakken kreeg uren doorlulde, en stond in vier bloemlezingen met veelbelovende romanschrijvers en twee bloemlezingen met veelbelovende dichters. Ik gooide tijdens het schrijven een vijftal kopjes kapot en vernielde één computer (dat valt toch mee, niet?). Ik doe het nog altijd met zeer veel plezier, maar het is ook wroetwerk. Intussen ziet het er uiteraard ook stilaan naar uit dat ik een van die schrijvers word die hun loopbaan wat eenvoudiger dan de anderen indelen, van ‘veelbelovend’ direct de sprong maken naar ‘over het hoogtepunt heen’, daarbij met ijzeren pragmatiek het tussenstadium (succes, vertalingen, prijzen edm) overslaand. Naar aanleiding van 20 onder 40. Nieuwe Verhalen van de beste jonge schrijvers en Agents-provocateurs. 20 onder 35 (de laatste keer ‘veelbelovend'), heb ik allereerst die boeken eens doorbladerd en ook de twee bloemlezingen van een vijftal jaar geleden waarin ik opgenomen was, Magazijn #2. De nieuwe generatie schrijvers en 25 onder de 35 van onder het stof gehaald. Eerst een persoonlijke opluchting: technisch ben ik beter dan vijf jaar terug. Maar laat ik liever eens de inleidingen bekijken die bij die boeken horen. Eerlijk gezegd, zo’n inleidend stukje te schrijven lijkt me een vreselijk corvee, en ik vind het – met alle respect voor de schrijvers ervan – inderdaad ook allemaal nogal flauwe teksten. Er moest nu eenmaal een inleiding bij, en iemand moest het doen. Michaël Zeeman deed in 2004 in Magazijn #2 als enige misschien nog een min of meer ernstige poging, en sprak van een ‘ontgoochelde generatie’ (al zie ik niet in waarom). Voorts lees ik vooral veel clichés. In 20 onder 40 staat dat de nieuwe generatie ‘verder dan hun navel en hun kerktoren’ kijkt en in 25 onder 35 dat de jonge schrijvers ‘allesbehalve navelstaarderig’ genoemd kunnen worden omdat ze de wijde wereld intrekken (bestaat er vandaag iets wat meer ‘navelstaarderig’ is dan de wijde wereld in te trekken?). In de inleiding van 20 onder 35 worden de schrijvers ‘agents-provocateurs’ genoemd; het gebruik van een Franse term dient mijns inziens toch vooral om de leegte van het begrip te verbergen. Verder wordt in deze tekst beweerd dat de auteurs geen ‘behaagzuchtige romans die inderdaad de dood van het genre lijken in te luiden’ schrijven. Enzovoort. Het blijft allemaal nogal oppervlakkig, waarschijnlijk is dat alleen maar logisch, het selectieprincipe ‘onder 35’ of ‘onder 40’ is dat immers ook. Wie in Nederland en/of Vlaanderen zo nodig een selectie van jong talent zou willen maken met inachtneming van een duidelijk afgebakende poëtica, vindt gewoon onvoldoende auteurs om zijn boek gevuld te krijgen. Interessant in die zin is bijvoorbeeld ook het interview op de boekenbeurs in Antwerpen met een aantal auteurs van 20 onder 40 waaraan ik deelnam. Steevast antwoordden die schrijvers verveeld dat er – welnee – geen gemeenschappelijk grond was. En toch wil ik het mij even afvragen. Valt er in de teksten die jonge schrijvers afleveren, nu feitelijk toch op de een of andere manier een lijn te trekken? Nee, geen zorgen, ook ik zal niet over een generatie beginnen, of toch nog proberen een poëtica op die vrij willekeurige selecties te plakken. Ik zal niet zelf die verschillende verhalen van mijn collega’s analyseren, laat staan ze beoordelen (dat is mijn taak niet – ik heb ze trouwens niet allemaal gelezen, laat ik het erbij houden dat het veertig absolute meesterwerken zijn), maar wil wel eens kijken naar wat er zoal gezegd wordt door mensen die dit wel hebben gedaan, en in het bijzonder wil ik wat commentaar geven op de interessante, maar al te rigoureuze tekst die Hans Demeyer twee weken geleden op de recensiesite de Reactor publiceerde, waarin hij de jonge schrijvers verweet dat ze in hun verhalen alleen maar een ‘onbewuste reproductie van de heersende ideologie’ brengen, in een ‘cultuur van bevestiging’ leven en weigeren, of eerder nog gewoon niet in staat zijn zich (in hun ethiek en/of hun esthetiek) nog kritisch op te stellen. Hij roept hen – of ik moet eerder zeggen: ons – dan ook op dat we ‘eens niet normaal’ moeten doen. Laat ik eerst wat verder teruggaan in de tijd, naar een interessant artikel dat Dirk Van Hulle in 2003 in het zomernummer van het literaire tijdschrift yang publiceerde over de eerder dat jaar verschenen selectie Granta´s Best of Young British Novelists 2003, die mensen als Zadie Smith, David Mitchell, Toby Litt en Hari Kunzru bevatte. In zijn stuk kwam Van Hulle tot de vaststelling dat bij die generatie schrijvers stilistische virtuositeit verdacht was, en nadruk lag ‘op accuratesse en gestrengheid’, op verstaanbaarheid, identificatie en verhaallijn. Hij zag een terugkeer naar ‘het realisme in al zijn gedaanten’, naar straight stories die niet bang zijn van enige suspense. Ian McEwan werd aangehaald, die in een interview met opnieuw Michaël Zeeman gesteld had dat het modernisme best interessant geweest was, maar dynamiek miste. Ten slotte besloot Van Hulle dat verhalen die ‘evenwichtiger’ opgebouwd zijn in het prille millennium misschien meer impact hebben, en noemde de auteurs in Granta’s selectie dan ook niet zozeer ‘conservatief’, maar eerder ‘pragmatisch’. In hetzelfde nummer van yang, overigens, stond van mijn hand een nogal experimenteel of in ieder geval op talig vlak nogal gezocht verhaal dat ik (tien jaar geleden dus) tezelfdertijd met mijn roman hier in Granada had geschreven, en dat zich hier ook afspeelt (ik heb er ook al de yogaboeken van mijn Italiaanse huisgenote voor gelezen). Vandaag zou ik een verhaal als Oskaartje, waarschijnlijk mijn minst ‘normale’ prozatekst, alleen al niet meer schrijven omdat ik weet dat ik er amper een publiek mee zal bereiken. Te raar. Ben ik dus pragmatisch geworden? Of commercieel? Of ordinair? Of een conformist? Of soft? Hmm, alvast niet commercieel, aan mijn verkoopscijfers te zien! Maar dat is een andere kwestie. Laat ik nu deze tekst van Dirk Van Hulle even afzetten tegen de tekst die Hans Demeyer op de Reactor publiceerde over de twee recentelijk verschenen bloemlezingen met twintig veelbelovende jongens en meisjes (zie ook Thomas Blondeau). In zijn recensie schrijft Demeyer allereerst dat het zowel de bloemlezers als de auteurs aan poëticaal bewustzijn ontbreekt. Deze selecties, schrijft hij, lijken nog het meest op een nieuwe generatie iPods, geen revolutie maar slechts een update. Aan de hand van Alessandro Baricco (zie mijn vorige stuk) wijst Demeyer vervolgens op een in de maatschappij optredend verlies aan diepgang, en aan de hand van Bas Heijne herkent hij een ideologie die zegt: ‘Doe toch normaal, man!’ In literatuur betekent zoiets: ‘Doe niet intellectueel vooruitstrevend, doe niet moeilijk, wees niet ambitieus of experimenteel’. In de meerderheid van de opgenomen verhalen herkent hij ‘anekdotes met een kop en een staart, waarbij op het einde de normaliteit wordt bevestigd’, de taal niet mag afleiden en clichés en eenduidige sentimenten schering en inslag zijn. Prototypisch voorbeeld voor zo’n normaal verhaal is dat van Tom Naegels, waarin het hoofdpersonage de (verkeers)regels niet volgt en daarvoor gestraft wordt. Moraal: wees conformist. (Eh? Ga toch weg!!) Oké, geeft Demeyer vervolgens toe, er zijn ook een paar rare vogels (Joost Vandecasteele, Maarten Inghels, Thomas van Aalten), maar die zijn toch vooral te vergelijken met een rechtenstudent die naar death metal luistert, even conformistisch dus. Conclusie: de meerderheid van deze verhalen zijn ethisch en esthetisch problematisch. Beetje kort door de bocht? Allereerst heb ik de neiging, mij af te vragen, wat er nu precies zo vreselijk en oeverloos problematisch aan dat conformisme is? Mijn oma zaliger was een conformist, maar een goed mens (al waren haar taarten echt te zwaar). Goed, mijn oma doet hier eigenlijk niet ter zake. Maar waarom moet literatuur beoordeeld worden op de graad waarin ze de vooronderstellingen van de maatschappij en het discours waarin we leven ondergraaft? Dit is simpelweg te rigoureus. Literatuur valt niet te herleiden tot non-conformisme of ideologiekritiek. Mag ik ook even gewoon een mooi, melancholisch, inderdaad een paar clichés bevattend verhaal schrijven of lezen? Bijvoorbeeld het verhaal van Annelies Verbeke in 20 onder 40  blinkt inderdaad niet uit in het ondergraven van een of ander hegemonisch discours, maar is uitstekend opgebouwd en eigenlijk erg goed. De tweede kritiek die ik hierop heb, is eerder een vraag: wat kan ik hiermee als schrijver? Want Demeyer verdedigt in ieder geval geen ‘pragmatische’ verhalen. De situatie vandaag is dat de meeste mensen te veel werken en in hun vrije tijd nog eens bedolven worden onder zowel massa’s diepzinnigheden als massa’s pseudodiepzinnigheden. Literatuur moet voor hen vooral ook entertainend zijn (ik zeg niet: alleen maar entertainend, ik zeg zelfs niet: in de eerste plaats entertainend). Misschien is dit inderdaad Alessandro Baricco. Je moet als schrijver, tenzij je helemaal wil verdwijnen in een of andere niche van universitaire lezers, rekening houden met die omstandigheden. Ga ik nu zelf ook kort door de bocht? Ik keer even terug naar de tekst van Dirk Van Hulle. Hij schrijft dat het in Granta’s groep niet gaat om ‘woordgrappen en linguïstische virtuositeiten om de taal van de macht te ondergraven (…) maar wel om een `state of mind´ waarin empathie de belangrijkste rol speelt.’ McEwan, schrijft Van Hulle, stelde empathie ‘bovenaan de agenda van de eenentwintigste-eeuwse Britse literatuur (…). Expliciet engagement in de literatuur haalt wellicht minder uit dan het lange-termijneffect van een versterkt inlevingsvermogen.’ Is empathie – wat meestal vooronderstelt: in een realistisch verhaal – het sleutelwoord? Ik weet het niet. Literatuur die zich op één sleutelwoord laat terugvoeren: waarschijnlijk is dat toch ook weer te weinig? Maar het is in ieder geval een interessantere aanzet dan het te strikte kritische programma van Demeyer. Enfin, ik denk daar dezer dagen in Granada over na.

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

Omwegen langs de Vlaamse boekhandel

Op de laatste dag van mei vertrek ik op omweg langs de Vlaamse onafhankelijke boekhandel voor een reeks lezingen en gesprekken met collega's, in een informele sfeer. Toegang is gratis, en iedereen is welkom (zie ook de kalender). Staan al vast:...Meer lezen

Papzak van anderhalve kilo

  Deze recensie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli verscheen op recensiesite de...Meer lezen