Albert Camus

Onderstaande lezing Over Albert Camus gaf ik op 8 december 2013 in filosofiehuis 'Het zoekend hert', in samenwerking met deBuren. De lezing is ook als podcast te beluisteren op de website van deBuren. Op maandag 3 februari gaf ik over hetzelfde onderwerp een interview in Het vrije woord, gastprogramma van de Humanistisch Vrijzinnige Vereniging.   Albert Camus Door Jeroen Theunissen, 8 december 2013                                   

  1. Camus in het Panthéon

Goedemorgen. Ik ben bijzonder vereerd dat u mij hier hebt uitgenodigd om de lezingenreeks over Albert Camus af te sluiten. De vorige drie lezingen heb ik niet bijgewoond. Ik hoop dus maar dat ik in staat ben, iets nieuws toe te voegen. Daarbij wil ik op voorhand toch even het volgende benadrukken: ik ben geen academicus, geen geleerde professor doctor of professor doctor emeritus. Mijn lezing zal minder erudiet zijn, vrees ik. Maar misschien wel persoonlijker. Ik ben een eenling, een beetje een vrijbuiter zelfs, ik sta buiten enig instituut, ben alleen maar iemand met een kamer vol boeken en een hoofd waarin enkele grijze cellen zitten, die probeert zijn nieuwsgierigheid en verwondering, zijn woede en verontwaardiging in verhalen en soms een gedicht of een lezing te gieten, en hoopt dat die verhalen, gedichten, lezingen een publiek vinden, mensen raken en hen waar mogelijk ook aan het denken zetten. Maar niet alleen omdat ik als kleine zelfstandige mijn brood moet verdienen en bovendien als kleine narcist mijzelf graag bezig hoor, ben ik blij dat u mij hebt uitgenodigd, maar ook omdat in het andere geval, als u alleen academici had gevraagd, het gevaar had bestaan dat Albert Camus behandeld zou zijn als ernstig filosoof en diepzinnig denker, als de existentialistische tegenpool van Sartre, minder groots maar charmanter, minder geniaal maar eerlijker en menselijker. Camus heeft zichzelf nooit in de eerste plaats als een denker beschouwd, en al helemaal niet als een existentialist, maar zag zich als een schrijver, een kunstenaar, weliswaar een die ook de tijd nam om na te denken over wie hij was en wat hij deed, niet een kunstenaar die zomaar wat knutselde, maar evenmin een filosoof. Hij heeft hierover zelf opgemerkt: ‘Je ne suis pas un philosophe. Je ne crois pas assez à la raison pour croire à un système. Ce qui m’intéresse, c’est de savoir comment il faut se conduire.’ Camus zoekt hoe hij als mens moet leven, in zijn kunst en in zijn literaire en filosofische werk. Zijn kunst is integraal deel van zijn leven, hij zou niet zonder kunnen leven, zegt hij in zijn Nobelprijsrede. Er is een verschil met Sartre. Ik denk dat Sartre harder werkte dan Camus en dat hij slimmer was (hij heeft het trouwens ooit zelf, halfdronken, tegen Camus gezegd: ‘Je suis plus intelligent que toi, hein? Plus intelligent’). Maar het is tegelijkertijd ook tekenend dat in Camus’ exemplaar van L’être et le néant, schijnt het, de potloodlijntjes ergens rond pagina honderd ophouden. Hij verloor – net als ik overigens – bij Sartre zijn interesse. Voor deze lezing heb ik een titel gekregen. Ik herinner me niet meer goed hoe het gegaan is, maar het is in ieder geval niet een titel die ik zelf heb gekozen: De toekomst van de opstandige mens. Over de mogelijkheden van een kunstzinnig denken en zoeken. Excuseer, maar dat is nogal een gedrocht. Ik heb mijn lezing ‘Albert Camus’ genoemd, meer niet. Deze lezing heb ik evenzeer voor mezelf geschreven als voor u. Ik heb onderzocht wat ik als schrijver, als mens en als verontruste burger de dag van vandaag, meer dan vijftig jaar nadat de Facel-Vega van Michel Gallimard vijfentwintig kilometer voorbij Sens van de weg geraakte en tegen een plataan uiteenspatte, uit dit werk (en een beetje uit dit leven) kan leren. Dat is, zal snel blijken, heel wat. Ik heb mijn lezing opgedeeld in vier delen. Dit inleidende stuk heet ‘Camus in het Panthéon’, dadelijk wordt duidelijk waarom. Vervolgens zal ik onderzoeken hoe een mens, vreemdeling in deze wereld, van absurditeit naar een vorm van levenskunst kan groeien, en ik zal dat ook in verband brengen met Camus’ eigen leven. Ik zal Camus zien als een soort levenskunstenaar, wat misschien op het eerste zicht hier en daar een wenkbrauw doet fronsen. Hierna ga ik op zoek naar het aspect van de opstand in het werk van Camus, wat die opstand onderscheidt van verontwaardiging en revolutie, en hoe dat prachtige werk, L’homme révolté, ons vandaag nog kan inspireren. Ik zal het hebben over tegenbewegingen vandaag, bijvoorbeeld ‘Occupy’. Vervolgens richt ik mij op de kunst, en de literatuur in het bijzonder. Is ook kunst een vorm van opstand? En wat is engagement in de kunst? Is literatuur slechts entertainment, of toch meer? Hoe kan men (met een zeer lelijke woordencombinatie) een opstandige literatuur maken? Hierna geef ik nog enkele slotbedenkingen. In een interessante reflectie op het afgeronde oeuvre van Camus, enkele jaren na zijn vroegtijdige dood, schrijft Mario Vargas Llosa dat Camus een provinciaal was in de beste en de slechtste zin van het woord, maar vooral in de beste zin. Er is, zegt Vargas Llosa, in zijn stijl een anachronistische trek, een plechtigheid, een maniërisme dat je doet denken aan die provincialen die iedere zondag hun schoenen poetsen. Het is dankzij die stijl – een maniërisme zonder snobisme, een oprechte geaffecteerdheid – dat je bij Camus, ook op zijn mindere ogenblikken (die er zeker zijn), altijd het gevoel hebt dat er iets op het spel staat. Ik zeg ‘ook op zijn mindere ogenblikken’. Met Camus is iets eigenaardigs gebeurd. Nog altijd is hij, de in armoede opgegroeide, vaderloze pied-noir met een analfabete moeder, voor Editions Gallimard een grote bron van inkomsten. Hij is een schoolfilosoof en een monstre sacré van de Franse cultuur geworden, een genie, de eeuwig jonge, sexy held van de filosofie. Men maakt van de honderdjarige Camus vandaag een man die iedereen behaagt, maar is iedereen behagen niet een beetje verdacht? Camus is heilig verklaard, maar heiligen, eerlijk gezegd, zijn oninteressant. Camus was geen held en geen genie, gelukkig maar. Hij wilde het ook niet zijn. Ik citeer: ‘Je n’ai pas envie d’être un génie philosophique. Je n’ai même pas envie d’être un génie du tout, ayant déjà bien assez de mal à être un homme.’ Ik vind dit een mooi citaat, dat de altijd zoekende, voortdurend zichzelf in vraag stellende Camus ten voeten uit tekent. Hij is geen genie, zegt hij, hij is een mens, of hij probeert het te zijn. Genieën, eerlijk gezegd, vind ik niet interessant, ze zijn – als ik in literaire termen kan spreken – flat characters, karikaturen. Camus was een twijfelaar. Dit is geen afgewerkt corpus, maar het werk van een onrustige geest, iemand met wie ik graag in gesprek was gegaan. Ik wil mijn inleiding dan ook besluiten met een strofe uit een lied van een andere Franse provinciaal, en iemand die net als Camus op zijn provincialisme trots gebleven is: Georges Brassens. Ik heb even gegoogled, omdat ik me haast niet kan voorstellen dat beide heren elkaar niet gemogen zouden hebben. Jammer genoeg vond ik nergens een aanwijzing dat Camus iets gehad kan hebben met de muziek van Georges Brassens, maar gelukkig vond ik wel – omgekeerd – een heerlijk filmfragment waarin Georges Brassens zijn literaire voorbeelden bespreekt, en ja, hoor: Camus is erbij. In een van zijn heerlijkste liedjes, Supplique pour être enterré sur la plage de Sète, vertelt Brassens dat hij, liever dan in een familiegraf of zelfs maar in het Panthéon terecht te komen, begraven wil worden op het strand van Sète, aan de Côte d’Azur. Het gaat als volgt Pauvres rois pharaons pauvre Napoléon Pauvres grands disparus gisant au Panthéon Pauvres cendres de conséquence Vous envierez un peu l'éternel estivant Qui fait du pédalo sur la plage en rêvant Qui passe sa mort en vacances   In vertaling: Arme koningen, arme farao’s, arme Napoleon, arme verdwenen lui in het Panthéon, arme overblijfselen, jullie zullen een beetje jaloers zijn op de eeuwige zomergast die zijn dood op vakantie doorbrengt. In 2013 heeft men het ook nog eens geprobeerd met die andere man die nooit in het Panthéon zou passen, Denis Diderot. Het Panthéon is voor doden, voor vergane glorie, voor museumstukken, voor mummies, maar niet voor onconventionele, zoekende geesten. Dit jaar is er wat Camus betreft geen sprake meer van geweest, maar drie jaar geleden – bij zijn vijftigjarig overlijden – plande Sarkozy een overbrenging van het stoffelijk overschot naar het Panthéon. Het was uiteindelijk zijn zoon die alles tegenhield. Albert Camus past er namelijk helemaal niet. Zijn werk leeft. Het is het werk van iemand, zoals hij zelf zei, die in de eerste plaats een mens wilde zijn. Als u mij vraagt waarom Camus vandaag belangrijk is, dan is dit ook direct mijn eerste antwoord: hij was een mens van vlees en bloed, die de kracht had, zich in zijn leven maar vooral ook in zijn werk te laten leiden door de empathie, de liefde voor het leven, de zon en de zee en de pracht van vrouwen, niet door abstracte ideeën. Er is niets abstracts aan Camus.  

  1. Van absurditeit naar levenskunst

  Het is onmogelijk, de revolte en het belang (ook het literaire belang) van de ‘revolte’ te begrijpen zonder een goed begrip van wat absurditeit voor Camus is. Ik zal proberen een persoonlijke benadering te geven, en ik zal dat doen vanuit het vandaag nogal populaire begrip ‘levenskunst’. Bij de meeste schrijvers, filosofen en wetenschappers huldig ik het adagium van Heidegger dat ze geboren zijn, gewerkt hebben, en gestorven zijn. Toch voel ik voor Camus – en ik denk dat ik daarin niet alleen ben – een soort genegenheid, liefde of vriendschap die zijn werk overstijgt. Ik merk dat ik mij aansluit bij wat biograaf Olivier Todd in een interview zei: ‘J’ai fini par le trouver très sympathique. Pour moi, c’est une figure fraternelle.’ Of bij de woorden van Imre Kertesz: ‘Camus heeft mij als een vriend begeleid.’ Ik vond het dan ook leerrijk over het leven van Camus te lezen, omdat wij mensen nu eenmaal altijd de gewoonte hebben ons eigen leven aan anderen te spiegelen, voorbeelden te zoeken, leidraden voor ons eigen leven. Bij Camus lijk ik die soms te vinden. Camus lijkt mij iemand bij wie ik (ondanks zijn tekorten) graag te rade was gegaan. Dit is meer dan anekdotiek of idolatrie, hoop ik. Werk en leven lopen bij Camus door elkaar. Laten we niet vergeten dat hij op zijn zeventiende ongeneeslijk werd verklaard, en de rest van zijn leven een chronisch zieke is gebleven, die verschillende malen zelfmoord heeft overwogen, die bovendien een wereldoorlog en in zijn thuisgebied een burgeroorlog heeft meegemaakt. De absurditeit die in zijn werk zo sterk naar voren komt, was doorleefd, was authentiek. Ik durf dit (ondanks gêne bij dergelijke romantische termen) te beweren omdat ik in de Carnets van Camus in het jaar 1951 lees : ‘Il n’y a pas un talent de vivre et un autre de créer. Le même suffit aux deux. Et l’on peut être sûr que le talent qui n’a pu produire qu’une œuvre artificielle ne pauvait soutenir qu’une vie frivole.’ En ook omdat ik in Le mythe de Sisyphe lees : ‘Le problème pour l’artiste absurde est d’acquérir ce savoir-vivre qui dépasse le savoir-faire. (…) [l]e grand artiste sous ce climat est avant tout un grand vivant, étant compris que vivre ici c’est aussi bien éprouver que réfléchir.’ Kunst is dus zelf ook levenskunst. Op dit moment is de levenskunst in de filosofie helemaal terug : ik heb een audio-cd over het thema, vorige woensdag was de boekenbijlage van De morgen eraan gewijd. Voor mij past Camus in deze traditie. Eindigt niet al zijn vroege werk L’envers et l’endroit, geschreven toen hij tweeëntwintig was, met een poëtisch essay dat ‘Amour de vivre’ heet ? Daarin beschrijft hij de ‘liefde voor het leven’ als volgt : ‘une passion silencieuse pour ce qui allait peut-être m’échapper, une amertume sous une flamme.’ Hij besluit : ‘Il n’y a pas d’amour de vivre sans désespoir de vivre.’ Leren leven, daar is het Camus om te doen, in de absurditeit van werkelijkheid waarin we geworpen zijn. Wat is die ons omringende werkelijkheid? Weinig schrijvers hebben zo krachtig als Camus over de natuur geschreven, vooral over de zee en de zon. Meursault moordt in de zon. Dr. Rieux en Tarrou bezegelen hun vriendschap met een zwempartij in zee, volgens mij persoonlijk een van de mooiste passages in het hele œuvre. En uiteraard zijn er de fijnzinnige miniaturen – essays of gedichten in proza – in Noces en L’été. Wie Le mythe de Sisyphe grondig gelezen heeft, weet dat het absurde niet op voorhand een gegevenheid is, niet een soort transcendente aanwezigheid, niet iets wat al in de mens zit, maar iets wat ontstaat in het contact – of eerder in het onmogelijke contact – met de ons omringende natuur. Al in L’envers et l’endroit lees ik : ‘Un grand désaccord se fait entre lui [l’homme] et les choses.’ In L’été spreekt Camus over ‘une vérité qui est celle du soleil et sera aussi celle de ma mort’. Wat absurd is, zegt Camus, is niet de wereld op zich, maar de confrontatie van de mens met die wereld. ‘Si j’étais arbre parmi les arbres, chat parmi les animaux, cette vie aurait un sens ou plutôt ce problème n’en aurait point car je ferais partie de ce monde.’ En : ‘L’absurde naît de cette confrontation entre l’appel humain et le silence déraisonnable du monde.’ Camus was, meer dan men zou denken, een religieus man. Natuurlijk heb ik dit woord ook voor het effect gekozen. Ik had ook andere termen kunnen gebruiken, ik had hem een metafysisch denker, een mysticus zelfs, of gewoon een romanticus kunnen noemen ‘Religieus’ kies ik in een definitie die ik puur toevallig bij Jaap Kruithof vond, in een wat ouder boek, De mens aan de grens uit 1985. Kruithof schrijft : ‘Als de godsdiensten in hun opdracht gefaald hebben betekent dat niet dat we de religiositeit moeten laten vallen. (…) In de religieuze ervaring treedt de mens in contact met een geheel dat hem tebovengaat, een totaliteit.’ Religiositeit gaat hier over het contact met het sacrale, het heilige, het sublieme, het unheimliche zo u wilt, met het mysterium tremendum et fascinans van Rudolf Otto, in de woorden van Camus gaat het over ‘cette nostalgie d’unité, cet appétit d’absolu’.  Het absurde, zegt Camus, ontstaat uit de confrontatie van een mens met een wereld die op onredelijke wijze zwijgt. Interessant, overigens – maar dit slechts terzijde, want het zou ons veel te ver leiden – is Camus’ misschien problematische weergave van Arabieren. Wat nogal wat Arabieren in zijn werk gemeenschappelijk hebben – met als duidelijkste voorbeelden L’étranger en het verhaal La femme adultère uit L’exil et le royaume – is hun zwijgen. Ze zijn een dreigende, zwijgende aanwezigheid, ze zijn niet echt menselijk, maar maken deel uit van die op onredelijke wijze zwijgende wereld. Ik ga op dit metafysische aspect in omdat het belangrijk is voor een goed begrip van het vervolg van mijn lezing, wanneer ik het over de mens in opstand heb. Ik denk dat het de reden is waarom ik toen ik voor het eerst L’homme révolté las, opsprong van enthousiasme. De opstand is namelijk niet in de eerste plaats een strijd van onderdrukten tegen mensonwaardige omstandigheden, tegen armoede en oorlog en uitbuiting en dergelijke meer, het is niet het indignez-vous van Stéphane Hessel (waarover later meer), maar een metafysisch verzet : het is verzet tegen de geboorte, tegen de dood, tegen het noodlot, het is een oerschreeuw, het is een pasgeborene die zijn longen kapotschreeuwt vanwege het verlies van de perfecte eenheid in de baarmoeder. Hierbij past de vraag die ik mijzelf vaak heb gesteld, en waarop ik nog altijd geen volledig antwoord ken : was Camus een humanist ? Ja en nee. Enerzijds uiteraard wel : hij vocht voor de menselijke waardigheid, hij verzette zich tegen de doodstraf, tegen de oorlog, tegen het totalitarisme van links en van rechts, hij vond ieder gestorven kind onvergeeflijk.Anderzijds toch eerder niet. Die dood van een kind, bijvoorbeeld, is niet alleen maar onvergeeflijk omdat het honger heeft geleden, maar vanwege de metafysische absurditeit. Camus’ standpunt is dus tragischer en veel rijker dan het humanisme. In La chute gaat de hoofdpersoon tegen de humanisten tekeer, hij noemt hen smalend die lui die hun medemens lief hebben in alles. In L’artiste et son temps, een lezing uit 1957 waarop ik nog terugkom, schrijft hij enigszins bitter : ‘Mais, en vérité, la sagesse n’a jamais autant décliné qu’au temps où elle était le plaisir sans risques de quelques humanistes de bibliothèque.’ Het humanisme is een ideologie, een systeem. Had Camus niet gezegd dat hij als hij moest kiezen tussen ‘la justice’, de rechtvaardigheid, toch waarschijnlijk het grootste humanistische principe, en zijn moeder, hij zijn moeder zou kiezen ? In zijn carnets vond ik in 1951 de volgende interessante bedenking : ‘Humanisme. Je n’aime pas l’humanité en général. Je m’en sens solidaire d’abord, ce qui n’est pas la même chose.’ Solidariteit en humanisme, twee verschillende zaken. Nog een citaat : ‘L’humanisme ne m’ennuie pas. Il me sourit même, mais je le trouve court.’ De solidariteit (waarover straks meer) richt zich bij Camus op concrete mensen, niet op systemen, structuren of abstracta. Vandaar ook die beroemde, zeer vaak uit de context gerukte opmerking dat hij, als hij moest kiezen tussen rechtvaardigheid en zijn moeder, hij voor zijn moeder zou kiezen. Ik ben ver van de levenskunst afgedwaald, denk ik. Ik probeer er nu naar terug te keren. De kracht van Camus zit allereerst in de krachtige en hartstochtelijke joie de vivre die hij op zijn absurde uitgangspunt laat volgen. Eens de mens besloten heeft, zegt hij, geen zelfmoord te plegen, kan die mens niet zomaar half-en-half voor het leven kiezen. Hij moet het honderd procent doen. ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux.’ Ik eindig dit deeltje graag met een wat langere, zeer mooie, heldere passage : ‘Il s’agissait précédemment de savoir si la vie devait avoir un sens pour être vécue, il apparaît ici au contraire qu’elle sera d’autant mieux vécue qu’elle n’aura pas de sens. Vivre une expérience, un destin, c’est l’accepter pleinement. (…) Vivre, c’est faire vivre l’absurde. (…) l’une des seules positions philosophiques cohérentes, c’est ainsi la révolte. Elle est un confrontement perpétuel de l’homme et de sa propre obscurité. Elle est exigence d’une impossible transparance. Elle remet le monde en question à chacune de ses secondes. (…) Elle n’est pas aspiration, elle est sans espoir. Cette révolte n’est que l’assurance d’un destin écrasant, moins la résignation qui devrait l’accompagner.’ Ik vind dit zeer mooie woorden.  

  1. De toekomst van de opstandige mens

  In de absurditeit leert men niet alleen te leven, maar ook ten volle te leven. Uit de absurditeit trekt men drie consequenties : opstand, vrijheid, hartstocht. De opstand is in de eerste plaats niet tegen concrete situaties gericht, maar is een woede tegen het zwijgen van de ons omringende natuur of werkelijkheid. De mens, schrijft Camus, is het enige wezen dat weigert te zijn wat het is. Een mens in opstand schreeuwt uit dat hij nergens in gelooft en dat alles absurd is, hij kan aan alles twijfelen behalve aan dat ene, zijn schreeuw zelf. Dat brengt mij bij L’ homme révolté – De mens in opstand, een boek dat uiteraard niet perfect is, het had gerust een paar pagina’s minder kunnen tellen, en Camus doet soms een beetje te veel zijn best om geleerd te zijn. Maar de eerlijkheid, de hartstochtelijke oproep om authentiek en solidair te leven, de helderheid en de moed hebben aan waarde niets ingeboet. Voor een goed begrip, lijkt me, is het noodzakelijk om de historische achtergrond van L’homme révolté toch nog even te schetsen. Het boek verscheen in 1951. Enkele dagen voor de verschijning zou Camus tegen zijn vriend Jean-Claude Brisville gezegd hebben: ‘Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen.’ Die woorden bleken achteraf redelijk profetisch. De Franse intellectuele elite van het begin van de jaren vijftig was over het algemeen Hegeliaans, Marxistisch, pro revolutie en niet al te humanistisch. Je moest niet te kneuterig en niet te bourgeois zijn, vonden zij. Immers, je kunt, zo het bekende adagium over de revolutie, geen omelet bakken zonder eieren te breken. De weerstand die L’homme révolté opriep, was dan ook immens. Camus was in die periode een van de weinigen die tegen de stroom in durfden te gaan. ‘Nos générations n’ont pas eu d’autre foi que la révolution. Voilà Le drame où la révolution dans ses succès même nous montre une face affreuse.’ Zelfs als de revolutie succesvol is, blijft ze monsterlijk. Tegenover de mateloosheid van de revolutie plaatst hij in de revolte een vorm van terughoudendheid. ‘La mesure n’est pas le contraire de la révolte. C’est la révolte qui est la mesure, qui l’ordonne, la défend et la recrée à travers l’histoire et les désordres.’ Verhelderend zijn de woorden die hij gebruikt tegen een oude vriend uit zijn periode in de Résistance, die Marxist is geworden: ‘Voilà le vrai problème: quoi qu’il arrive, je vous défendrai toujours contre les fusils de l’exécution. Vous, vous serez obligé d’approuver qu’on me fusille. Réfléchissez à cela.’ En beroemd is uiteraard ook het einde van de vriendschap van Camus en Sartre na verschijning van L’homme révolté. De (meer gematigde) opstand of revolte van Camus onderscheidt zich dus van de mateloze en onmenselijke revolutie. Maar wat is nu die revolte? De openingswoorden zijn beroemd: ‘Qu’est-ce qu’un homme révolté? Un homme qui dit non. Mais s’il refuse, il ne renonce pas: c’est aussi un homme qui dit oui, dès son premier mouvement.’Hier zien we opnieuw die gulzigheid naar het leven. Het wonderlijke aan L’homme révolté is nu dat Camus uit deze individuele reflex een collectieve moraal ontwikkelt. In de beroemde variant op Descartes heet het: ‘Je me révolte, donc nous sommes.’ Inherent aan de opstandige impuls is een diepe, menselijke solidariteit. Net in de opstand ontdekt de mens dat hij niet alleen is. Wie in opstand komt, breekt uit zijn egoïsme en ontdekt de waarde van zijn medemens, en zal dus ook altijd en overal met die medemens rekening houden. Met zijn ja bevestigt de opstandige mens de waarde van het menselijk leven. Camus is in zijn hele denken uiteraard sterk door Nietzsche beïnvloed, maar er is een groot verschil. Bij Nietzsche is de ‘Lebensbejahung’, zoals dat dan zo mooi heet, een vorm van Amor Fati, maar geen vorm van medemenselijkheid. Bij Camus ontstaat uit het Ja-zeggen een soort Kantiaanse imperatief: de ander is doel. Ik vind dit prachtig. In Camus’ eigen woorden: ‘Dans l'expérience absurde, la souffrance est individuelle. À partir du mouvement de révolte, elle a conscience d'être collective, elle est l'aventure de tous.’ De mens is zowel solitaire als solidaire. Opnieuw in de woorden van Camus: ‘[T]oute révolte qui s’autorise à nier ou à détruire cette solidarité perd du même coup le nom de révolte et coïncide en réalité avec un consentement meurtrier.’ In het Frankrijk van 1951 waren die woorden dynamiet. En vandaag? De titel die ik gekregen heb voor deze lezing, en die ik daarstraks verworpen heb, was zoals u zich herinnert ‘De toekomst van de opstandige mens.’ Maar waar moet ik beginnen? Hoe zullen we morgen of overmorgen in opstand komen? Goh, eerlijk gezegd, dat weet ik niet. Misschien heeft men deze titel gekozen omdat ik nog jong ben, en mag ik dus de rol komen spelen van de ‘volgende generatie’. Misschien heeft het ermee te maken dat ik volgens sommigen een ‘geëngageerde auteur’ ben, en wil men iets vernemen over mijn engagement (ik kom hier straks terug, ik houd overigens helemaal niet van die term), of misschien heeft het te maken met het feit dat ik ooit schreef over de Occupy-beweging dat deze er goed aan zou doen, L’homme révolté als filosofische handleiding te nemen. Laat ik het met dat laatste beginnen, met die boutade over de occupy-beweging. Ik wil het hierbij allereerst hebben over een onlangs verschenen boek van de Frans-Algerijnse filosoof Jean-François Mattéi, waarvan de titel, L’homme indigné, een overduidelijke verwijzing naar Camus is. Ik geef toe dat ik Mattéi niet kende, en zelfs het boek nog niet gelezen heb (ik heb het besteld, maar het is niet op tijd gearriveerd). Ik heb in feite gewoon geluk gehad, ik vond op arte een filmpje van ongeveer een halfuur waarin Mattéi samen met een interviewer die het uitstekend doet maar misschien minder koffie moet drinken (ik werd nogal zenuwachtig van de man) op aangename en heldere wijze uitlegt wat in zijn boek staat, wat een verontwaardigde mens is, en wat een verontwaardigde mens van een in opstand komende mens onderscheidt. Aangezien ik L’homme indigné nog niet gelezen heb, weet ik niet of Mattéi ook bewust verwijst naar dat andere, veel beroemdere Franse boek (of boekje) dat ‘indigné(/ez)’ in de titel draagt, maar ik kan mij moeilijk voorstellen dat hij er niet minstens aan heeft gedacht. Ik heb het over de bestseller Indignez-vous van de dit jaar op 95-jarige leeftijd overleden Franse oud-verzetsstrijder Stéphane Hessel. In dit ook in het Nederlands vertaalde pamflet uit 2010 roept de stokoude Hessel zijn landgenoten, en in het bijzonder de jeugd, op om het niet meer te nemen, om niet langer aan de kant te blijven, om opnieuw verontwaardiging te voelen. Want de slechtst denkbare houding, zo Hessel, is onverschilligheid, is zeggen ‘ik kan er niets aan doen, ik red me wel’. Veel verder dan deze oproep komt Hessel eerlijk gezegd niet, maar desondanks (of misschien net om die reden) is zijn boekje tot ver buiten Frankrijk een bestseller geworden, Le nouvel observateur noemde hem ‘een soort moderne Gandhi’. Hij werd de held van de Franse vleugel van de occupy-beweging, en van iedereen die zich om een of andere reden verontwaardigd voelde en die – voeg ik haast automatisch toe – zin had om na het werk of tijdens het weekend in die verontwaardiging te zwelgen. Maar, zo stelt Jean-François Mattéi in L’homme indigné, verontwaardiging volstaat niet. Het gesprek begint met een opmerking over de witte Guy Fawkesmaskertjes die een van de kentekenen van het protest geworden zijn. Deze maskertjes, zo blijkt, zijn voor 8,49 te koop, gezien op televisie. Het masker van de verontwaardiging (en dit impliceert: ook de verontwaardiging zelf) is al lang koopwaar geworden, net als het boek van Stéphane Hessel uiteraard, de man werd in de herfst van zijn leven een veelgevraagde celebrity. Het kapitalisme integreert onze verontwaardiging. Het bekendste voorbeeld blijft uiteraard Che Guevara, beroemd revolutionair en goed product. Conclusie: we zullen meer nodig hebben dan slechts die kwaadheid, dat sentiment. Wat – vraagt Mattéi zich af – is verontwaardiging precies? De eerste verontwaardigde, zegt hij, was misschien wel Plato. Niet enkel de verwondering, maar ook de verontwaardiging is het dus die ons aan het filosoferen heeft gezet. Plato’s verontwaardiging, die hem tot de filosofie bracht, had te maken met de executie van zijn leermeester Socrates. Misschien is de verontwaardiging een modaliteit van de verwondering. Verontwaardiging is een breuk met de gewone gang van zaken, is het moment waarop je weigert nog te aanvaarden wat je zo lang hebt aanvaard. Kleine kanttekening: Mattéi beschouwt verontwaardiging als gericht naar een ander, als het over jezelf gaat is het gewoon woede. De verontwaardigde is een getuige, zoals in dit geval Plato. En als getuige kent hij de ander waardigheid toe. Hij zegt: ‘Je m’indigne, donc tu es.’ Het probleem echter is en blijft dat verontwaardiging niet reflexief is, in de eerste plaats een sentiment. Daardoor kan de verontwaardiging een breed spectrum aan (soms tegenstrijdige) aspecten bevatten. Dit probleem zien we bijvoorbeeld heel duidelijk in de occupy-beweging, en een decennia geleden zagen we dit ook al bij de anti- of andersglobalisten. Het is een amalgaam. Iedereen heeft een andere slogan, iedereen heeft een andere beweegreden, slechts de ontevredenheid met het status quo is gemeenschappelijk: ‘We are the 99%’. Dat moet een goed gevoel zijn, bij die 99 te horen. Maar wat dan nog? ‘Een andere wereld is mogelijk’. Ja, uiteraard. Ik hoop het. Maar het is, vrees ik, geen toeval dat beide bewegingen veel kabaal maar weinig oplossingen hebben laten zien. De verontwaardiging is niet alleen spontaan maar ook manipuleerbaar, inefficiënt en moreel lui. Verontwaardiging geeft je een goed geweten zonder dat je er verder veel moeite voor moet doen. De verontwaardigde is iemand die toekijkt en kwaad wordt. Maar dat is alles. Persoonlijk ben ik bijvoorbeeld heel verontwaardigd over Syrië. Wij allen waarschijnlijk. Maar niemand hier laat zijn slaap. Om werkelijk iets te bewerkstelligen, moeten we dus die verontwaardiging overstijgen, en komen we terecht bij de opstand van Camus. De verontwaardiging bezorgt je een goed geweten omdat je je kwaad hebt gemaakt, de revolte zorgt ervoor dat je niet meer kunt slapen voor je in actie bent geschoten. Dit vereist reflectie en echt engagement. Revolteren doe je samen met anderen, vanwege die anderen. ‘Je m’indigne, donc tu es’ wordt ‘Je me révolte, donc nous sommes’. De opstand opent zo volgens Mattéi een deur naar het universele, naar een gemeenschappelijke wereld en naar gemeenschappelijke idealen. De revolutie is dan weer een vorm van hubris, van mateloosheid die de gemeenschappelijkheid opgeeft, die de menselijke solidariteit weggooit. Revolutie wil van nul herbeginnen, en is zo een ontkenning van de tientallen, honderden, duizenden jaren geschiedenis die we hebben gehad. De revolte daarentegen is het tegenovergestelde van de tabula rasa, wil het gemeenschappelijke verleden niet vergeten, ook de slechte kanten van dat verleden niet, en vanuit dat verleden iets nieuws bouwen. Wat kunnen we hier nu concreet mee? Toch wel iets, denk ik. De personages in La peste, Dr. Rieux, Rambert, Grand, Castel, Tarrou en anderen, voelen zich door de situatie verplicht om in actie te komen. Ze kunnen niet anders. In die volgehouden actie ontstaat een vorm van gemeenschappelijkheid. Kunnen we dit toepassen op concrete situatie? Ik probeer het even. Ik kies de Arabische wereld, en Syrië in het bijzonder. Toen de Arabische lente begon, was het vooral voor westerlingen bon ton om vol verwondering en optimisme te kijken naar hoe die jonge generatie in het Midden-Oosten ineens het juk afgooide. Voordien waren wij misschien al wel eens verontwaardigd geweest over de toestanden ginds, maar we hadden met dat gevoel voorts niet veel gedaan. Ook tijdens de revolutie deden wij niets, we keken toe, en waren blij met die revolutie, en verheugden ons erop dat nu alles in orde zou komen, een mooie, nieuwe, democratische, verlichte – en ik zou bijna zeggen: westerse – wereld zou in het Midden-Oosten oprijzen. Ik stond er werkelijk beduusd naar te kijken, moet ik toegeven, naar al dat gemakkelijke westerse enthousiasme. Wat was het fijn, de televisiebeelden te zien. Wat een optimisme, wat een kracht, de jeugd, de facebookgeneratie. De Arabische bastille valt. Enzovoort. Maar na de revolutie, vergeet men wat te gemakkelijk, keert iedereen naar huis terug, en gaat het leven door, met dezelfde problemen, hetzelfde gebrek aan brood op de plank. Ons optimisme was hovaardig, goedkoop en belachelijk. Het is uiteraard onmogelijk om de problemen die er zijn zomaar in enkele protesten op te lossen. En nu we, vandaag, niet meer optimistisch zijn, hebben we ook onze interesse verloren. Het duurt te lang, en onze clichés over het barbaarse, fanatieke oosten waarmee het nooit goed zal komen, zijn weer helemaal terug. Maar wat zie je bijvoorbeeld in Syrië? Uiteraard zal ik nu veralgemenen. Laten we de opstand daar even met Camus te lijf gaan. Ten eerste moeten we zeggen: van revolutie is over het algemeen geen sprake, tenzij bij groepen jihadistische extremisten die graag na de val van het regime met een schone lei helemaal opnieuw willen beginnen (dit zijn geen mensen in opstand volgens de definitie van Camus: hun ‘wij’ is namelijk beperkt tot hun eigen sekte). Hoe zijn de protesten in Syrië ontstaan? Eerst leek alles rustig. Er was veel onderdrukte woede en veel ongenoegen, maar ook angst. In februari 2011 gebeurde echter iets vreemds. Vijftien pubers schreven – daarbij opgejut door wat in de rest van de Arabische wereld aan de gang was – slogans tegen het regime op de muren, een kwajongensstreek. Ze werden opgepakt en geslagen, hun nagels werden uitgerukt, ze werden gefolterd, ze verdwenen. Toen hun moeders kwamen smeken dat hun zonen vrijgelaten zouden worden, kregen ze te horen: ‘Maak toch gewoon nieuwe zonen. Of kunnen jullie mannen dat niet. Zullen wij het even met jullie doen.’ Onder andere deze gebeurtenis heeft het vuur aan de lont gebracht. Overal in het land hoorde en las men hierover. Misdaden tegen kinderen, heeft Camus zeer terecht opgemerkt, zijn onvergeeflijk, altijd en overal. Een kind dat lijdt: zoiets valt niet goed te maken. Vreedzame protesten zijn toen uit deze verontwaardiging ontstaan, en zijn – zoals u weet – genadeloos neergeslagen. Protesten vonden in het begin op vrijdag plaats, men sprak over ‘Vrijdagen van de waardigheid’. De opstand is er gekomen toen de verontwaardiging de angst weggenomen heeft, en mensen zich zijn gaan verenigen. Zij hebben gezegd: ‘Wij zijn.’ Uiteraard is het veel complexer dan dit, is er sindsdien veel gebeurd, en is de oorlog intussen grotendeels sektarisch geworden. Ik denk dat iedere Syriër – en ik heb met enkelen gepraat – weet dat de opstand nog zeer lang zal duren. Er zal geduld, doorzettingsvermogen en blijvende menselijke solidariteit nodig zijn. Je zou kunnen zeggen: zoals in La peste, waar dokter Rieux steeds blijft vechten tegen die pest, beseft dat hij geen keuze heeft, dat hij geen rust zal en kan vinden voor hij en zijn medestanders de menselijke waardigheid heroverd hebben.  

  1. Literatuur en opstand

  We hebben het gehad over absurditeit en opstand, over revolutie en liefde voor de natuur, maar amper over literatuur. In dit laatste deel zal ik mij dus op de literatuur richten, en op de kunst, de twee lopen een beetje door elkaar, voor finesses heb ik even geen tijd meer. Dit is misschien wel het meest persoonlijke deel. De vraag is: wat kan Camus mij vandaag, meer dan vijftig jaar na zijn dood, in een op het eerste zicht toch totaal andere tijd, nog leren als schrijver? Hoe kan ik zijn visie op de absurde, de verontwaardigde en de revolterende mens in mijn eigen kunst toepassen? Gedurende zijn hele loopbaan heeft Camus zich beziggehouden met de vraag wat een schrijver is. Le mythe de Sisyphe en L’homme révolté bevatten afzonderlijke hoofdstukken over de creatieve schepping. De creatie, zegt hij daar, is zelf een vorm van opstand. Ik kan slechts enkele zaken aanhalen, en zal mij in wat volgt grotendeels beperken tot de rede die Camus hield bij de ontvangst van de Nobelprijs voor literatuur, op 10 december 1957, en de lezing die hij enkele dagen later, op 14 december, aan de universiteit van Uppsala hield. Nadat hij op 10 december zijn verbazing heeft uitgesproken over het feit dat hij – een nog betrekkelijk jonge, twijfelende man – de prijs heeft gekregen, besluit hij te proberen, zo eenvoudig mogelijk de opvattingen uit te leggen die hij heeft over zijn kunst en over de rol van de schrijver. In de daaropvolgende uiteenzetting valt een paradoxale combinatie op van enerzijds grote bescheidenheid en anderzijds nog grotere bevlogenheid. Ik geef een mooi citaat: ‘Je ne puis vivre personnellement sans mon art. Mais je n’ai jamais placé cet art au-dessus de tout. S’il m’est nécessaire au contraire, c’est qu’il ne se sépare de personne et me permet de vivre, tel que je suis, au niveau de tous. L’art n’est pas à mes yeux une réjouissance solitaire. Il est un moyen d’émouvoir le plus grand nombre d’hommes en leur offrant une image privilégiée des souffrances et des joies communes. Il oblige donc l’artiste à ne pas s’isoler; il le soumet à la vérité la plus humble et la plus universelle.’ De artiest heeft de kunst nodig om te kunnen leven, niet slechts alleen (solitair), maar ook met anderen (solidair). Hij wil zo veel mogelijk mensen bereiken, hen ontroeren met het mooie en het trieste wat wij gemeenschappelijk hebben. De kunstenaar zoekt een bescheiden en universele waarheid. Dit woord ‘waarheid’ is belangrijk. De grandeur van het métier van de schrijver, zegt Camus, zit in het dienen van de waarheid én in zijn vrijheid. Camus zet zich dus af tegen iedere vorm van nihilisme. Elders, in zijn boekje L’été, schrijft Camus letterlijk: ‘Une littérature désespérée est une contradiction dans les termes.’ En iets verder in dezelfde tekst: ‘Chaque artiste, sans doute, est à la recherche de sa vérité.’ Tegelijkertijd, hoe verheven dit programma ook mag zijn, wil Camus de schrijver ook niet beter dan andere mensen maken; hij wil, zegt hij, de schrijver naar zijn ware plek terugvoeren, waar hij geen andere claims kan hebben dan die claims die hij met anderen deelt. In zijn tweede tweede lezing, in Uppsala, stelt Camus duidelijker dan in zijn Nobelprijsrede dat de artiest niet slechts solidair maar ook solitair is en moet zijn, waarbij hij ook heel duidelijk waarschuwt tegen propagandakunst. Als kunst de spreekbuis wordt van een ideologie, gaat de ‘liberté, de vrijheid van de kunstenaar verloren. ‘Le seul artiste engagé’ zegt Camus, ‘est celui qui (…) refuse (…) de rejoindre les armées régulières, je veux dire le franc-tireur.’ Dus: een eenling, een vrijbuiter. ‘L’artiste libre est celui qui, à grand-peine, crée son ordre lui-même.’ Alleen zo kan zijn kunst waardevol zijn. Elk groot kunstwerk leert ons iets bij, toont iets nieuws over ons, mensen, creëert aangrijpende schoonheid en groot verdriet. Kunst i ‘l’incessant témoignage de l’homme sur sa misère et sa grandeur.’ De reden is dat een kunstenaar niet veroordeelt, maar toont. ‘Il est l’avocat perpétuel de la créature vivante (…)’ l’artiste, en même temps, rend hommage à la plus haute figure de l’homme et s’incline devant le dernier des criminels.’ De schrijver is geen rechter, maar iemand die geduldig ontleedt, met de bedoeling te begrijpen. Een vrij stevig programma, denk ik. Wat kan ik hier nu vandaag mee? We leven vandaag in een consumptie- en entertainmentmaatschappij. Het literaire debat is niet dood, maar is in ieder geval naar de marginaliteit geduwd. De schrijvers die het mooie weer maken, zijn niet noodzakelijk de besten, ze zijn ook niet noodzakelijk de slechtsten, er is eigenlijk gewoon amper een verband. De agenda van de markt en van de entertainmentindustrie is een andere dan de agenda van de literatuur. Wie de televisie aanschakelt, wordt plat gebombardeerd met leuterprogramma’s waarin mensen die daar door hun eigen wil, door hun positie in de entertainmentindustrie of soms gewoon door geluk terechtgekomen zijn leuteren en leuteren en leuteren. Ik zeg niet dat het onmogelijk is om binnen dat format iets inhoudelijk interessants te vertellen, maar wanneer het gebeurt, is dit als het ware per toeval. Misschien maak ik er een karikatuur van, maar ik vrees dat mijn beeld minder vergezocht is dan ik wel zou wensen. Van literatuur – hoewel het steeds moeilijker wordt om dat te formuleren – verwacht ik iets anders. Ik vind het bijzonder belangrijk, dat andere te verdedigen. En daarvoor kan ik bij Camus nog altijd terecht. Literatuur is een waarheidsinstrument, zegt Camus, niet zoals de filosofie dat is, maar net vanwege haar zoekende karakter, haar gebrek aan systeem. ‘Je ne suis pas un philosophe,’ citeerde ik Camus daarstraks. ‘Je ne crois pas assez à la raison pour croire à un système.’ Literatuur is een diepmenselijke, trage reflectie. Gisteren nog las ik toevallig in de krant dat mensen die net een roman gelezen hebben, meer empathie hebben. Goed, waarheid dus. Iemand die dat onlangs mooi in een lang essay heeft verwoord, is Bas Heijne, in zijn boekje Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk. De literatuur, zegt Heijne, maakt onze levens en de wereld waarin we leven, niet eenvoudiger maar complexer. De onophoudelijke leuterpraat waarover ik het zopas had, heeft de bedoeling de mensen die aan het praten zijn de indruk te geven dat ze tot de incrowd behoren, dat ze belangrijk zijn, het is een zelfbevestigend procédé, niet een procédé dat mensen helpt om zichzelf in vraag te stellen. Wie naar die leuterpraat luistert, doet dat vanwege het entertainment en de clichés. We leven in een cultuur van bevestiging, van heel veel meningen zonder andere consequentie dan dat men in het spotlicht is geweest tijdens het verkondigen van die mening. Goede literatuur kan dit doorprikken, kan (en ik zeg erbij: moet) anders zijn. ‘L’artiste et l’écrivain’ zo Camus, ‘ne sont pas mis au monde pour faire plaisir (…). Il sont là pour dire la vérité.’ De roman, zegt Bas Heijne, ‘laat ons echt zien. (…) Literatuur is (…) iets om de wereld mee te lijf te gaan, om klaarheid te brengen in morele dilemma’s, verschrikkingen onder ogen te zien, tegen de geriefelijke aannames van de tijdgeest in te denken.’ Dit brengt mij bij het idee van ‘geëngageerde literatuur’. Onlangs had ik het weer aan mijn been, en werd ik gevraagd door het literaire tijdschrift Deus ex machina voor een themanummer over ‘literatuur en engagement’. Daar gaan we weer, dacht ik. Ik ben vaak, omdat ik in mijn teksten al eens verwijs naar de wereld rondom, een geëngageerd schrijver genoemd. Ik vind dit eigenlijk een belediging. Het engagement van een schrijver is zijn literatuur zelf. Kunst is per definitie geëngageerd. Als kunst dit niet is, spreken we van kitsch. Dit betekent helemaal niet, overigens, dat een schrijver in zijn roman bijvoorbeeld een stuk moet opnemen over de oorlog in Syrië, het kan een historische roman zijn, het kan een liefdesroman zijn die zich op een kamer afspeelt. Dit is allemaal mogelijk. Het gaat over de inzet. En jammer genoeg is die, eerlijk gezegd, bij veel hedendaagse literatuur erg laag. Bas Heijne citeert in Echt zien de Britse schrijver Tim Parks: ‘Veel hedendaagse romans zijn eigenlijk een vorm van kinderliteratuur voor volwassenen.’ Misschien is deze opmerking niet erg fair jegens kinderauteurs die prachtige, diepzinnige zaken maken, maar u begrijpt wat ik bedoel. Een kunstenaar schept in zijn werk betekenis, en doet dit altijd in de tijd waarin hij leeft. Literatuur vanuit de ivoren toren, leert ons Camus, is even oninteressant als literatuur die alleen maar entertainment is. Si l’art, zegt Camus, ‘ze conforme à ce que demande notre société, dans sa majorité, il sera divertissement sans portée. S’il la refuse aveuglément, si l’artiste décide de s’isoler dan son rêve, il n’exprimera rien d’autre qu’un refus. Nous aurons ainsi une production d’amuseurs ou de grammairiens de la forme, qui, dans les deux cas, aboutit à un art coupé de la réalité vivante.’  

  1. Slot

Zo, ik weet niet goed wat ik nog moet toevoegen. Ik kan veel langer doorgaan, verder nuanceren en argumenten uitwerken, nadenken over hoe Camus’ visie op literatuur concreet in de praktijk kan worden gezet, maar ik denk dat het beter is hier af te ronden. Ik heb geprobeerd, Camus niet slechts te ontleden – er bestaan uitstekende boeken die dat doen – maar te tonen hoe hij voor mij persoonlijk een gezel is, en dat op drie niveaus, die echter met elkaar samenhangen. Het eerste niveau is dat van de levenskunst, Camus leert ons te leven. Het tweede is dat van de opstand: Camus leert ons dat de verscheurdheid waarmee wij sinds het verlaten van de paradijselijke baarmoedertoestand kampen, omgezet kan worden in menselijke solidariteit. Het derde niveau is de kunst: kunst is geen luxetijdverdrijf. ‘Contrairement au préjugé courant, si quelqu’un n’a pas droit à la solitude, c’est justement l’artiste.’ En laten we niet vergeten, daarnaast, dat Camus ons prachtige zinnen, beelden en verhalen nagelaten heeft. Ik dank u.            

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

vijf sterren in 'De standaard'

In de boekenbijlage van 'De standaard' krijgt mijn boek van recensent Bert Van Raemdonck het maximum van vijf sterren. Liefst zou ik het hele stuk citeren, maar ik probeer mij een beetje in te houden: 'Theunissen heeft aan de levensloop van zijn hoofdfiguren zoveel kronkels en bochten gegeven...Meer lezen

Papzak van anderhalve kilo

  Deze recensie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli verscheen op recensiesite de...Meer lezen