Candide

Misschien omdat ik te veel romans vol antihelden gelezen heb, of misschien omdat ik hecht aan een klassiek besef van het tragische of lijd aan een romantische gespletenheid die in de leefwereld van de winner niet thuishoort, heb ik die optimisten nooit begrepen. Maar nu neem ik te veel schuld op mij. Optimisme, namelijk, is op sommige momenten ook gewoon een vorm van onkritisch denken. Johan Braeckman en Maarten Boudry leggen in hun boek De ongelovige Thomas heeft een punt fijntjes uit dat depressieve mensen de werkelijkheid vaak correcter waarnemen dan spring-in-’t-velds en eeuwige optimisten, een fenomeen dat in de psychologie bekendstaat als ‘depressief realisme’. Even kort door de bocht: natuurlijke selectie heeft niet alleen nagelaten ons brein uit te rusten met het vermogen om kritisch te denken, maar heeft de meesten van ons ook de grote gave van een doorgrondend pessimisme ontzegd. Nochtans, als je van linkse signatuur bent, kies je voor Gramsci en zijn optimisme van de wil, en als je van eerder liberale signatuur bent voor Popper en zijn optimisme als morele plicht. Een interessante casus is ongetwijfeld Matt Ridley. Deze zeer verdienstelijke Britse bioloog en populairwetenschappelijke auteur, van wie ik bijvoorbeeld het boek Nature via Nurture met veel genoegen gelezen heb, is ook wel een beetje – of meer dan een beetje – een ultraharde neoliberalist en een niet bijzonder genuanceerde ideoloog van de ongelimiteerde vrije markt die zinnen schrijft als: ‘[g]overnments do not run countries, they parasitise them.’ Maar is Ridleys eenzijdige verdediging van een ideologie die – laten we dat nu even zeggen zoals het is – intellectueel ongeveer op het niveau staat van de bewering dat de aarde plat is, al niet bepaald een bewijs van kritisch denken, dan maakt hij het in zijn boek The Rational Optimist (vertaald als:De rationele optimist) helemaal te bont wanneer hij begint over de klimaatverandering en de verzuring van de oceanen. In dit voor het overige af en toe lezenswaardige boek laat de optimist die zich zogezegd wil verzetten tegen al die cultuurpessimisten die voortdurend alles maar de verkeerde richting zien uitgaan zich verleiden tot een aantal gênante onwetenschappelijke uitspraken (bijvoorbeeld houdt hij vol dat in The Sceptical Environmentalist van Bjorn Lomborg geen enkele grote fout staat, terwijl het boek in feite zo veel fouten bevat dat een heel boek is geschreven om ze allemaal op te sommen). The not-too-rational optimist dus. Op een ander niveau heb ik het bijna even moeilijk met het onlangs verschenen magnum opus van Steven Pinker, The Better Angels of Our Nature. Why Violence has declined. Onwetenschappelijk of zelfs ongenuanceerd kun je dit boek zeker niet noemen, maar na een bladzijde of honderd stopte ik toch maar met lezen, omdat ik Pinkers visie – dat hij in de inleiding bescheiden omschrijft als ‘the most important thing that has ever happened in human history’ – mij voorkwam als helemaal niet zo schokkend en zelfs amper relevant voor een hedendaagse ethiek. The Better Angels of Our Nature onderzoekt in zevenhonderd pagina’s (en nog eens honderd pagina’s  referenties) hoe en waarom geweld in de geschiedenis van de mensheid op alle gebieden systematisch afgenomen is. De menselijke natuur, met andere woorden, is niet inherent gewelddadig, en het millennialange beschavingsproces, dat empathie, zelfcontrole, moraliteit en redelijkheid heeft gestimuleerd, is een succes. Ik wil de (inderdaad opmerkelijke) reikwijdte van het onderzoek niet minimaliseren, maar had ook zelf al wel begrepen de kans op een gewelddadig einde vandaag fundamenteel kleiner is dan vijfhonderd jaar terug, ik had er dit boek niet voor nodig. Dit boek is een beetje naast de kwestie. Geweld is vandaag niet het grote ethische probleem (tenzij je de term zo ruim gaat interpreteren dat hij iets helemaal anders betekent). Richard Fuld, de CEO van Lehman Brothers, heeft bij mijn weten nooit geweld gebruikt. De gevolgen van zijn handelingen, ontelbare gebroken levens en persoonlijke faillissementen, zijn niet minder catastrofaal. In De morgen verscheen onlangs een opiniestuk van Nicholas D. Kristof, overgenomen van de New York Times, dat min of meer de light-versie van Pinkers boek bevat: ‘Het is bon ton om te zeggen dat we de wereld naar de haaien aan het helpen zijn. Wel, spijts het heersende doemdenken hebben we de voorbije eeuwen qua menselijk fatsoen een enorme vooruitgang geboekt. (…) Wij lijken als het ware aardiger geworden te zijn.’ Ik herken toch ook de volgende teneur: stel je niet aan en maak je geen zorgen. Ik vind dit nogal kortzichtig. Want alvast wat het klimaat betreft, is een optimist vandaag iemand die de feiten niet kent, nu in Durban nog maar eens een halfslachtige poging afloopt om vooral niet te veel actie te ondernemen en men blijft hopen dat het probleem even vlot als de gletsjers vanzelf wel verdwijnt. Ons irrationele optimisme, onze weigering en onze onkunde om pessimist te zijn op het moment dat het nodig is en dit pessimisme als moreel appèl te ervaren, maakt het feit dat we minder gewelddadig zijn dan enkele eeuwen geleden van ondergeschikt belang. Onze impulsieve gewelddadigheid mogen we dan overwonnen hebben, we hebben een immense dreiging veroorzaakt en komen in onze reactie niet verder dan een kettingroker die van zware shag overschakelt op Marlboro light. In zijn lezing in de Bozar beschreef Slavoj Zizek de situatie treffend als ‘catastrofaal, maar niet ernstig’, en onze reactie als ‘pseudo-activiteit’. Laat ik de feiten toch nog maar even op een rijtje zetten, op het gevaar af dat u verveeld afhaakt. Algemeen wordt aangenomen dat de opwarming van de aarde, als we die beheerbaar willen houden, niet meer dan 2° Celsius mag bedragen (vandaag zitten we al aan ongeveer 0,7°). Tot niet zo lang geleden werd door niet weinigen volgehouden dat we dat zouden bereiken door het CO2-niveau in de atmosfeer, dat voor het begin van de industriële revolutie een kleine 280 ppm (deeltjes per miljoen) bedroeg en sindsdien (zoals voor het eerst door Keeling opgemerkt werd) gestaag gestegen is, niet te laten oplopen boven 550 ppm. Sinds een jaar of vijf is de consensus gesteld op 450 ppm, en als ik mij niet vergis, is dit nog altijd het cijfer dat bijvoorbeeld door de Europese Unie als richtlijn wordt genomen. Twee jaar geleden echter gaf James Hansen, de wetenschapper die in 1988 in het Amerikaanse Congres het probleem aan de orde stelde, en misschien de meest gerespecteerde klimaatwetenschapper ter wereld, een nogal verontrustende, laten we gerust zeggen angstaanjagende lezing, waarin hij de nieuwe conclusie formuleerde dat de veilige grens (gesteld op ongeveer twee graden) niet 450 ppm, maar 350 ppm betrof. Klein probleem: de huidige hoeveelheid CO2 bedraagt intussen 390 ppm, en neemt jaarlijks met meer dan 2 ppm toe. Met andere woorden, op een moment dat er bijvoorbeeld zelfs niet eens zoiets bestaat als een Amerikaanse Republikeinse presidentskandidaat die de door de mens geïnduceerde klimaatopwarming aanvaardt, zitten we 40 ppm in de rode zone, en heeft het er alle schijn naar dat onze uitstoot eerder nog zal stijgen dan dalen. Net nu in Durban nog eens een poging eindigt om een opvolger voor het al niet direct wereldreddende Kyoto-protocol te vinden, blijkt dat de uitstoot door fossiele brandstoffen in 2010 een record heeft bereikt, en met 5,9 procent is gestegen sinds het jaar voordien. In vergelijking met 1990 is er niet een wereldwijde afname van 5,2 procent, zoals Kyoto wilde bereiken, maar een toename met 49 procent. Maar het kan nog erger. Kevin Anderson, een expert verbonden aan het Tyndall Centre, kwam in 2008 na een omslachtige berekening tot de conclusie dat het ‘onwaarschijnlijk’ was dat we onder de 650 ppm zouden blijven, zelfs als de rijke landen binnen een decennium draconische maatregelen troffen. Hij besloot: “As an academic I wanted to be told it was a very good piece of work and that the conclusions were sound. But as a human being, I desperately wanted someone to point out a mistake, and to tell me we had got it completely wrong.’ Dat laatste is niet gebeurd. Diezelfde Kevin Anderson ontwikkelde ook een interessante (hoewel veel minder wetenschappelijke) methode om de waarheid te achterhalen bij onderzoekers, politici en activisten: ‘Ask for projections around the dinner table after a few bottles of wine, and more vote for 650 ppm than 450 ppm as the more likely outcome’ (met 450 dus als een verouderde, te optimistische doelstelling). Een team van het MIT bouwde vlak voor de top van Kopenhagen, twee jaar geleden, ingewikkelde software die het mogelijke maakte om ieder voorstel op de top direct te analyseren op de gevolgen over honderd jaar. Het resultaat? Als ze alle regeringsbeloftes van de conferentie optelden, kwamen ze uit op iets meer dan 725 ppm; als ze alle voorwaardelijke voorstellen en onofficiële statements mee incalculeerden, kwamen ze uit op 600 ppm. Nu kan men zich nog afvragen: is dat wel zo ernstig? Laten we aannemen, zoals Marc Vandepitte vorige week nog berekende, dat de aarde met 3,5 ° Celsius opwarmt in plaats van met 2° Celsius. Het zal een beetje vervelend zijn, zeker, en Afrika krijgt het wat moeilijk, maar we passen ons wel aan, toch? Dit lijkt me twijfelachtig. De reden waarom 2° Celsius als richtpunt wordt genomen, is dat naarmate we dit cijfer meer overstijgen de kans op gevaarlijke feedbackmechanismen en drempelwaarden waarboven we de controle volledig verliezen toeneemt. Bijvoorbeeld het tipping point waarop een ijsvrije zomer op de Noordpool krijgen (volgens sommigen al verwacht over een jaar of twintig à dertig) lijkt misschien al bereikt. Als de temperatuur drie graden stijgt, is de instorting van het regenwoud in het Amazonegebied een realistische mogelijkheid, maar door de extra uitstoot die dit teweeg zou brengen betekent dit een mogelijke extra toename met een graad of twee, waardoor we er vervolgens op mogen rekenen dat weer een ander feedbakmechanisme in gang wordt gezet enzovoort. Kortom, met de Amerikaanse milieuactivist en schrijver Bill McKibben (uit wiens recentste boek ik een aantal van de hier geciteerde feiten haal), meen ik te mogen besluiten: ‘if not in hell, then in some place with a very similar temperature.’ Waar blijven jullie, rationele optimisten? Vandaag lijken we ons zowel op het globale (geo)politieke vlak als op het persoonlijke vlak in een staat van cognitieve dissonantie te bevinden die verontrustend en gevaarlijk is. Niet of we nu meer of minder gewelddadig zijn is het morele dilemma van onze tijd, maar of we bereid zullen zijn onze problemen te herkennen en ernaar te handelen, met andere woorden of we in staat zijn onze nogal gebrekkige kritische vermogens ten volle te gebruiken. Op het politieke toneel betekent dit dat de mensheid in staat zal moeten zijn om een immens, dreigend probleem dat bovendien met een vertragingsmechanisme werkt – hoe wij vandaag handelen heeft pas over een paar decennia effect – globaal aan te pakken. Zijn we tot globaal denken en handelen in staat? Als blijkt dat dit niet zo is, zal misschien besloten moeten worden dat de mens niet meer is dan een diersoort – niet verschillend van andere diersoorten in een vergelijkbare situatie – die met te weinig natuurlijke vijanden kampt, te groot is geworden voor het ecosysteem (waarbij het ecosysteem in dit geval de hele aarde is) en dus alles opvreet en onherroepelijk zijn eigen en andermans habitat verwoest. Misschien is de menselijke natuur, die door de evolutie niet voorzien is met het mentale vermogen om ver in de toekomst te kijken of een immense ruimte als de aarde te omvatten, gewoon niet in staat tot het oplossen van dit probleem. Niemand kan tegen de dendoctronus ponderosae, een kever die door de klimaatopwarming verantwoordelijk is voor het afsterven van immense naaldwouden, aanspreken en vragen: houd er even mee op. Met de soort homo sapiens sapiens, al bezit deze een vernislaagje van ratio, is het in wezen niet anders. Dit is een erg fatalistische gedachte die verlichtingsadepten met een opvoedingsprogramma misschien doet steigeren. Misschien hebben ze de feiten vandaag tegen. Op het persoonlijke vlak is onze cognitieve dissonantie niet veel kleiner. We draaien spaarlampen in, gaan met de trein naar het werk (omdat de werkgever terugbetaalt) en plaatsen op ons dak een zonnepaneel, als we er het geld voor hebben eten we biologische groente, op donderdag kiezen we voor een vegetarische maaltijd. Dit is zeker lovenswaardig. Maar op het moment dat een moeilijke persoonlijke keuze gemaakt moet worden, passen we. Het beste voorbeeld is ongetwijfeld ons vliegverkeer, dat in Europa vooral sinds de opkomst van de goedkopevluchtmaatschappijen geëxplodeerd is. Niemand van mijn vrienden zal een vliegtuigreis afgelasten vanwege de ecologische impact ervan (en ook ikzelf ging twee weken terug nog naar Granada). Ryanair, hoe vreselijk de pakjes van de hosts en hostessen ook mogen zijn, en hoe irritant hun CEO, lijkt een symbool geworden voor onze individuele vrijheid. Misschien staat de Europese Unie, die ooit ‘dicht bij de burgers’ wilde staan, tegenwoordig vooral dicht bij de banken, maar dankzij Schengen en Ryanair genieten we van een ongekende persoonlijke mobiliteit. De Britse activist en schrijver George Monbiot komt in zijn boek Hitte na een lange berekening tot de niet zeer vrolijke vaststelling dat ‘reizen over lange afstanden met hoge snelheden niet verenigbaar is met de beperkingen die klimaatverandering oplegt.’ Hij citeert onder andere een onderzoek dat Friends of the Earth in 2005 liet uitvoeren, waarin berekend werd wat de door de Britse regering vooropgestelde groei van het vliegtuigverkeer zou betekenen voor de uitstoot van broeikasgassen. Daarbij ging men ervan uit dat vliegtuigen in hun brandstofgebruik jaarlijks 1,2 procent zuiniger zouden worden. Bij een poging om de concentratie CO2 te stabiliseren op 550 ppm zou het vliegtuigverkeer in 2050 50% van de totale Britse uitstoot bedragen, bij 450 ppm zou die uitkomen op 101% (van 350 ppm was in 2005 nog geen sprake). Dit is echter nog maar het halve verhaal. Het IPCC berekende dat door roetdeeltjes, diverse gassen en warme lucht in de koude troposfeer er een vermenigvuldiging nodig is met 2,7. Met andere woorden: respectievelijk 134 en 270% van de totale Britse uitstoot in 2050 zal van vliegtuigen komen. We hebben een nieuwe moraal nodig. De moraal van individuele zelfrealisatie voldoet niet meer, noch in de kitschversie van ongebreidelde consumptie noch in de versie van de levenskunst (die mij na aan het hart ligt). Een illustratief voorbeeld is het leuk geschreven boek van de jonge Belgisch-Poolse filosofe Alicja Gescinska, een aan haar persoonlijke levensverhaal (vlucht uit Polen in 1988, dood van haar vader in 2010) opgehangen verhandeling over vrijheid. Vrij zijn, schrijft ze, is geen vanzelfsprekendheid, maar vergt inspanning en moeite. Aan de hand van het werk van Isaiah Berlin maakt ze een onderscheid tussen negatieve vrijheid, die bestaat uit de afwezigheid van externe inmenging en beperkingen, en positieve vrijheid, die voortvloeit uit de wens van het individu om zijn eigen meester te zijn, een ‘meester’ is iemand die iets meesterlijk kan, en er zo in slaagt een zinvol, goed en gelukkig leven te leiden. Het gaat om de zelfverwerkelijking van de mens. Negatieve vrijheid is ook de vrijheid van bijvoorbeeld Oblomov, de Russische edelman die in het gelijknamige boek van Ivan Gontsjarov niet uit bed geraakt, of van Donna Simpson, de Amerikaanse vrouw die zichzelf tot doel heeft gesteld om de dikste vrouw ter wereld te worden en een eigen website heeft waar fans haar tegen betaling kunnen volgen. Positieve vrijheid is de mens die zijn eigen leven in handen neemt en steeds beter wordt naarmate hij beter in staat is om zichzelf te ontplooien, en die daarin zijn geluk vindt. In het boek van Gontsjarov wordt dit ideaal verpersoonlijkt door Stolz, de actieve en levenslustige vriend van Oblomov. Gescinska besluit nogal lyrisch: ‘Sta op, begin te leven en heb lief. De vrijheid lonkt.’ Leuk, maar volstaat dit nog wel? De Stolz in het boek van Gontsjarov is ongetwijfeld de grotere held en zelfs de betere persoon (hij laat bijvoorbeeld zijn eigen boeren niet van honger omkomen), maar de meesterhand van Gontsjarov zorgt er toch voor dat de eigenlijke sympathie van de lezer uitgaat naar Oblomov. Persoonlijk sta ik er altijd een beetje raar naar te kijken, naar die optimistische en actieve types die het leven vol overtuiging en vuur tegemoet treden. Maar het punt dat ik wilde maken is natuurlijk nog een ander. Uiteraard is wat Gescinska schrijft correct, is vrijheid iets wat je als mens moet veroveren en niet zomaar de mogelijkheid om altijd en overal je zin te doen, maar haar boek blijft te veel hangen op het niveau van het individu, terwijl er vandaag net nood is aan een collectieve morele leidraad die ons kan helpen de immense problemen waarvoor we staan aan te pakken. Dit is zo in de klimaatverandering, in de manier waarop de Europese Unie niet verder meer komt dan een strikt neoliberaal discours, in ons onderwijs (zoals Martha Nussbaum betoogt in Niet voor de winst). Onze impasse is erg goed verwoord door Tony Judt: ‘What we lack is a moral narrative: an internally coherent account that ascribes purpose to our actions in a way that transcends us.’ Alleen wanneer we ook de individuele zelfrealisatie (die ik voorts volledig onderschrijf) kunnen overstijgen en erin slagen een collectief moreel appèl waar te nemen, zullen we er werkelijk in slagen onze problemen aan te pakken. Ik wilde al automatisch aanvullen: quod non. Maar nil volentibus… Terug naar de klimaatproblematiek. Heb ik de zaken hierboven te alarmistisch geschetst? Ik denk het niet. Het is een feit dat de opwarming van de aarde een extreme oproep is aan onze beste morele vermogens, evenzeer is het een feit dat onze reactie zowel globaal als persoonlijk ondermaats blijft. Dus is er reden voor diep pessimisme. Voor alle duidelijkheid: dit betekent niet dat er helemaal niets gebeurt, dit betekent niet dat ik de inspanningen die wel worden gedaan wil minimaliseren. Ook niet dat ik voor fatalisme pleit. Maar het is een feit dat we dichter bij 4° Celsius dan bij 2° Celsius staan, dit is een ramp die we over onszelf hebben afgeroepen. Als ik alles nog eens overlees, vraag ik mij af of het wel pessimisme is waarover ik het wilde hebben. Misschien is het eerder nog: rouw. Er is namelijk nog een en ander wat ik niet vermeldde. Allereerste de technologische revoluties die voor de deur staan, waarvan sommige zo krachtig zijn dat we ze nauwelijks kunnen bevatten, en die in ieder geval in het meer welvarende deel van de wereld zullen helpen om de problemen te milderen. Ten tweede: de aanpassingskracht van de mens in het algemeen; heel esthetisch is wat we doen misschien vaak niet, maar de Apocalyps zit er toch ook weer niet direct aan te komen. Maar op een dag zullen we wakker worden, en beseffen dat we op een heel andere aarde wonen, waarvan de temperatuur veel minder aangenaam is. De Amerikaanse milieuactivist en schrijver Bill McKibben schrijft dat we deze planeet misschien beter een andere naam geven, want het is niet langer dezelfde planeet als diegene waarop we geboren zijn. Eaarth noemt hij deze planeet: ‘We imagine we still live back on that old planet, that the disturbances we see around us are the old random and freakish kind. But they’re not. It’s a different place. A different planet. It needs a new name. Eaarth. Of Monnde, or Tierrre, Errde, (…). It still looks familiar enough – we’re still the third rock out from the sun still three-quarters water. Gravity still pertains; we’re still earthlike. But it’s odd enough to constantly remind us how profoundly we’ve altered the only place we’ve ever known.’

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

Omwegen langs de Vlaamse boekhandel

Op de laatste dag van mei vertrek ik op omweg langs de Vlaamse onafhankelijke boekhandel voor een reeks lezingen en gesprekken met collega's, in een informele sfeer. Toegang is gratis, en iedereen is welkom (zie ook de kalender). Staan al vast:...Meer lezen

Papzak van anderhalve kilo

  Deze recensie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli verscheen op recensiesite de...Meer lezen