Ernest

Ernest   Toen Ernest zijn echtgenote tijdens de afdaling hard in een grijze afgrond duwde, leek de gil die hij hoorde nog het meest op verdoofde pijn bij de tandarts. Twee uur later bereikte hij de bemande berghut waar ze die ochtend heel vroeg vertrokken waren. Onervaren en onvoorzichtig, de verkeerde uitrusting, waarschijnlijk losliggende stenen. Niemand twijfelde eraan dat ze weggegleden was. En haar echtgenoot leek helemaal van slag. Arme man. Arme vrouw. Drie uur later vond een helikopter het verbrijzelde lichaam, dat naar België werd gebracht. Op de begrafenis las Ernest met halfgebroken stem haar laatste dagboeknotitie voor, die ze ’s ochtends nog geschreven had, en waarin ze de stilte, de bergen en de zonsopgang probeerde te vatten. Later speelden vrienden op gitaar haar favoriete lied, ‘Exit music’ van Radiohead, terwijl haar mama, een mooie vrouw van vijfenzestig, de hele tijd bleef huilen. Bij de broodmaaltijd na afloop zei Ernest amper iets, al vonden familieleden dat hij zich sterk en waardig hield. Haar neef Max, een oude makker van hem, vroeg: ‘Wat ga je nu doen?’ Ernest haalde zijn schouders op, voelde zich vooral erg moe. ‘Blijf je in het huis?’ vroeg Max. ‘Ja, dat denk ik.’ Max sloeg een arm om hem heen, drukte hem tegen zich aan, en zei: ‘We zijn er voor je.’ Vervolgde: ‘Je moet gelukkig worden, Ernest, je moet door, zo had ook zij het gewild.’ Ernest knikte: ‘Zo had zij het gewild.’ Maar de daaropvolgende periode werd erg zwaar, ondanks het voornemen dat hij door zou gaan met zijn leven (zelfs haar papa had het hem op het hart gedrukt, en had gezegd: ‘Wij zijn je familie.’) Die eerste september, toen het nieuwe schooljaar begon, was hij er gewoon niet klaar voor. Doordat hij zijn baan als leraar Frans verwaarloosde, kreeg hij gezagsproblemen. Directie en collega’s maakten zich zorgen om hem, en wanneer hij de leraarskamer betrad verstomden soms de gesprekken, onwillekeurig kreeg hij een aura van onaanraakbaarheid. Zijn echtgenote had lesgegeven op dezelfde school als hij. Men dacht eraan, hem langere tijd ziekterust te gunnen, want zijn gedachten leken voortdurend ver weg, maar ten slotte werd van het plan afgezien omdat hij er zelf niet om kwam vragen en omdat men vreesde dat hij zich met zijn verdriet in zichzelf kon gaan opsluiten. De vrienden spraken onder elkaar een beurtrol af om hem ’s avonds en in het weekend te bezoeken. De nieuwe buurvrouw, een grote en vieve bibliothecaresse van drieëntwintig, helemaal het tegenbeeld van zijn overleden echtgenote, wipte vaker binnen voor een babbel. Omdat ze aan een stuk door praatte, was ze voor hem uitstekend gezelschap, soms kreeg ze hem zover dat hij uitbarstte in een manische lach. Maar beterschap bleef uit. Hoewel hij nooit dik was geweest, is hij die winter meer dan tien kilogram afgevallen, en hij kreeg een ongezonde grijze gezichtskleur. Tot hij ineens in februari, meer dan zes maanden na haar overlijden, bij een krachteloze winterzon op weg terug naar huis was. Het was een van die tergend langzaam opschuivende schooldagen geweest. Vlak voor zijn gezicht viel een klodder duivenpoep naar beneden en plofte voor zijn voeten zachtjes op de grond. Hij hield in en keek naar die poep voor zijn voeten. Toen hoorde hij oude muziek uit een raam op de derde verdieping dat geopend stond alsof de kou allang het land uit was. Het was muziek waarvan hij hield, en waarvan ook zij gehouden had, iemand oefende moeizaam op accordeon. Hij werd nieuwsgierig, en in een impuls belde hij aan. Hij hoorde door de parlofoon de frisse stem van een meisje, ze klonk heel jong. Geantwoord heeft hij niet. Dit moet een soort omslag geweest zijn. Vrienden, collega’s en leerlingen namen een schuchtere, maar duidelijke verandering in hem waar. Hij werd opnieuw de gedreven, minzame leraar van voorheen. De vieve buurvrouw onderbrak hij nu soms in haar monoloog (al liet ze zich niet onderbreken), of ze ontving een complimentje, of hij schonk haar een glas witte wijn in. Hij glimlachte soms. Voor zijn verjaardag in mei nodigde hij al de vrienden uit die zo hun best gedaan hadden om te voorkomen dat hij zou vereenzamen, en kookte voor hen iets eenvoudigs met vis uit de diepvries en groente uit een pak. Tijdens het verjaardagslied dat voor hem werd ingezet, brulde hij luid mee, en even leek hij tranen in de ogen te hebben. Max gaf hij bij het afscheid een schouderklopje. En de nacht na het feest droomde hij, niet van haar maar van haar moeder. Nadat hij was opgestaan, bleef dat beeld van haar moeder hangen. Dus belde hij haar ouders op. Het was haar vader die de telefoon aannam, hij was bijzonder blij (en misschien opgelucht) van Ernest te horen na al die tijd. Op de achtergrond hoorde Ernest dat haar mama voorzichtig voorstelde: ‘Zeg hem dat hij eens op bezoek komt voor een gebakje en voor een babbel.’ Ernest, die nieuwe energie bezat, deed het nog dezelfde middag. Nadat hij alle rommel van het feest zorgvuldig had opgeruimd, en niet alvorens vijf minuutjes bij de vieve buurvrouw te zijn langsgegaan– ook zij was aan het opruimen – nam hij rond halfdrie de fiets van zijn overleden echtgenote uit de garage. Zes kilometer moest hij fietsen tot aan haar ouderlijke woning. Het was een mooie dag. Haar mama opende de deur, toen hij haar op de wang zoende raakte hij haar blote bovenarmen aan en streelde die. Zij was niet vermagerd zoals hij, maar net bijgekomen, alsof ze haar verdriet in kilo’s om had willen zetten. Hij vertelde haar hoe gelukkig hij was haar te zien. ‘Je bent met de fiets gekomen,’ zei ze, en wees op zijn broeksspelden. In de woonkamer stond lekker fruitgebak. Hij twijfelde niet. Direct kondigde hij aan dat er een nieuwe liefde was. Haar vader schudde hem de hand, haar moeder omhelsde hem, terwijl ze tegen een traan vocht. Negen maanden later huwde hij met zijn vieve buurvrouw. Terwijl hij het marsepeinen bruidspaar op de taart doormidden sneed, dacht hij even aan zijn vorige bruid.   * Ze kregen een jongen, maar scheidden ook vrij snel weer, gelukkig in goede omstandigheden, er was geen ruzie over geld of over het hoederecht, er bleef zelfs een rest van vriendschap en in ieder geval respect en vertrouwen. Het was gewoon misgelopen, zoals het nu eenmaal gaat, stelden ze achteraf (er ontbrak misschien dat iets). Zij heeft wel eens opgeworpen dat soms ’s avonds, in het weekend of op vakantie, een onbegrijpelijke en ook niet bespreekbare donkere last op hem leek te drukken. Maar het is een uitspraak die ze slechts enkele keren heeft gedaan, zeker niet consequent. In ieder geval heeft ze nooit iets onvriendelijks over hem gezegd, hij evenmin over haar. Eén keer toch is hij tijdens een ruzie agressief geworden, en heeft haar in haar gezicht geslagen, hard en gericht, maar daarvoor heeft hij zich uitgebreid verontschuldigd. Het kind verhuisde met haar mee naar een andere stad, zelf zag hij het om de veertien dagen. Vanaf die tijd maakte hij veel tijd vrij voor zijn werk, en er was sprake van dat hij, wanneer de oude directeur op pensioen zou gaan, opgenomen kon worden in het directieteam. Misschien nog het meest aangedaan van de scheiding waren de ouders van zijn gestorven vorige echtgenote. Omdat zijn eigen ouders allebei al enige tijd overleden waren (hij was een nakomertje, zestien jaar jonger dan zijn enige broer) had hij een band met hen opgebouwd. Vooral haar papa, die vrij conservatief was en een scheiding maar moeilijk aanvaardde, moest door Ernest gerustgesteld worden. ‘We zullen onze kleinzoon toch nog wel zien?’ vroeg de man. De reden voor die overdreven reactie moest misschien gezocht worden in zijn eigen slabakkende gezondheid. Een jaar eerder was een hersentumor ontdekt, die men niet helemaal had kunnen wegnemen. Telkens wanneer Ernest op bezoek kwam met het jongetje, waren er koekjes en chocolademelk. De peuter werd in de watten gelegd met een overgave die misschien moest compenseren dat hij niet het kind van hun eigen dochter was. Toen haar vader uiteindelijk op zijn laatste benen begon te lopen, probeerde Ernest met de jongen nog wat vaker te komen, en dat ontlokte zijn vieve ex-vrouw op een dag een opmerking. ‘Het is voor zeer binnenkort,’ zei Ernest haar ter verduidelijking, en even had ze de indruk dat er een raar, monter timbre in zijn stem lag. Haar mama zag hij intussen dikker worden, alsof ze opnieuw verdriet in kilo’s omzette. Ze was vroeger altijd redelijk slank geweest, en na het eerdere verdriet weer een beetje afgevallen, nu werden haar armen wanneer hij die ter begroeting aanraakte onstevig en zacht als een donsdeken. Veel werd er niet gezegd wanneer hij kwam, want veel viel er niet te zeggen. De zieke klampte zich aan het leven vast, weigerde hulp wanneer hij tuinierde, al wist hij dat hij het niet meer kon, was met de voeding niet voorzichtig genoeg, weigerde te aanvaarden, wisselde momenten van (redelijk pathetische) levenslust en zelfs euforie af met diepe neerslachtigheid. Aan zijn eerste echtgenote dacht Ernest in die tijd niet meer. Haar foto’s lagen in een lade, na lang niet meer bekeken te zijn vingen ze stof. Max kwam nog eens op bezoek en merkte het op. ‘Je bent volledig hersteld,’ zei hij, alsof de voorbije tijd een ziekte was geweest. Max voegde toe, terwijl zijn ogen toevallig vielen op het blekere deel van de wand waar de foto gehangen had: ‘Zo had ook zij het gewild.’ Daarop knikte Ernest, en hij herhaalde: ‘Zo had zij het gewild.’   * Toen de oude man naar huis kwam om er te sterven, trok Ernest bij hen in. De afstand tot aan zijn school was niet veel groter dan van zijn eigen woonst – hij kon met de fiets. Haar oude kamer, waar nog een foto van de eighties-groep Aha was blijven hangen, uit haar prille tienertijd, richtte hij voor zich in. Op het bureautje deed hij zijn verbeterwerk, in de kast hing hij kleren voor enkele weken. Hij nam cd’s en boeken mee. De kamer kreeg een vertrouwde geur. Toen het zijn beurt was om op de jongen te letten, bracht hij hem mee en installeerde een bedje voor hem. Maar op de dag dat de zieke in coma ging, bracht Ernest de jongen bij de vieve bibliothecaresse en ex-buurvrouw, en knikte haar betekenisvol toe. De laatste avond waakten hij en haar mama beurtelings. De zieke lag in wat ooit de logeerkamer was geweest. Het was een zaterdag, zes jaar na de gruwelijke moord op zijn vrouw. Ineens werd hij iets gewaar, een bijna minieme versnelling in de ademhaling. Hij haalde haar mama, die toch niet sliep. Toen ze terugkwamen, was de stervende heel onrustig geworden. Ze gingen zitten op de stoelen aan zijn bed, en keken naar hem, en zij nam de hand van de stervende. Het lichaam schokte krachtig, en viel stil. Ze huilde niet. Ineens, terwijl men dacht dat het al afgelopen was, schokte hij nog eens, krachtiger dan de vorige keer. Dit was het einde. Ze vouwde de handen van de dode. Zo bleven ze zitten, tot Ernest haar hand pakte en drukte, en daarna haar mollige armen streelde. Ze huilde nu toch. Ze boog zich naar hem toe, kwam heel dichtbij, omhelsde hem, loste de omhelzing opnieuw een beetje, omhelsde hem andermaal. Haar lippen raakten zijn oor. Ze beet in zijn oor. Ze fluisterde: ‘Mijn zoon.’   Verschenen in: Hassan  Bahara & Thomas  Blondeau, Agents provocateurs. 20 onder 35, Prometheus 2011. © Jeroen Theunissen

Fragment

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

Don Quichot

De lente is in het land, en ik geniet van fluitende vogeltjes, quads, grasmaaiers in de verte, wielertoeristen en ruisende beekjes. Een veel te lange tijd heb ik door grote drukte niets geschreven. Vanaf vandaag begin ik met nieuwe moed opnieuw, en zal alweer trouw iedere twee à drie weken...Meer lezen

Don Quichot

Deze korte lezing over Don Quichot hield ik op dinsdag 28 februari 2012 op een door 'Het beschrijf' georganiseerde avond rond klassiekers, in Passa Porta. Wat maakt een boek klassiek, met welke bedoelingen en verwachtingen worden klassiekers nog gelezen? Andere sprekers waren Kristien...Meer lezen

Uit: 'Een vorm van vermoeidheid'

HIJ IS een normale man, maar heeft nu eenmaal chaos in zich. Hij ook, hij beseft dat, dus moet hij opletten voor romantiek. Hij moet zich verweren tegen overdreven hoop, tegen metafysica, tegen het irrationele. En heeft een muurtje opgetrokken. Ironie is belangrijk. Het is logisch, vindt hij...Meer lezen