Fluisterdwaas 3 (6 oktober 2014)

Vorige vrijdag, 3 oktober, overleed Ward Ruyslinck. Twee jaar geleden schreef ik een tekst over zijn werk, die nooit gepubliceerd is. De tekst moest als column dienen voor De leeswolf, en paste in een reeks rond miskende schrijvers. Ward Ruyslinck miskend? Is hij niet de man die iedere Vlaming boven de dertig op de middelbare school heeft gelezen? De tekst werd door mijn contactpersoon van De leeswolf in eerste instantie enthousiast onthaald, maar later moest hij hier schoorvoetend op terugkomen. Andere redactieleden vonden dat de tekst te veel inging op de vraag wat een miskende schrijver precies is, op het begrip ‘canon’ en op de manier waarop de Vlaming met zijn literaire erfgoed omgaat. De tekst paste daardoor, vond men, niet binnen het opzet van de reeks. Men stelde voor dat ik het eerste deel zou inkorten en mij zou concentreren op een analyse van het oeuvre. Ik heb daarvoor toen vriendelijk bedankt, en zo is de tekst nooit gepubliceerd. Misschien terecht, daarover oordeel ik niet. Hieronder kan hij gelezen worden, als eerbetoon aan Ward Ruyslinck (1929-2014).     Een reservaat voor Ward Ruyslinck   Oktober 2012, voor de serie ‘miskende schrijvers’ van De leeswolf.   Wat is een miskende schrijver? Het begrip lijkt me allerminst duidelijk. Volgens Van Dale betekent miskennen ‘geen besef hebben of tonen van de waarde of het wezen van iets, niet weten te waarderen’. Een miskende schrijver is dus een schrijver die niet naar waarde wordt geschat, die niet gewaardeerd wordt volgens zijn verdienste. Maar wat is de waarde van literatuur, en wat de verdienste van een individuele literator? Schrijft een schrijver om erkend te worden (wat dan ongeveer kan betekenen: in de canon opgenomen te worden), om zijn boterham te verdienen, vanuit een bepaald maatschappelijk engagement of puur voor het eigen genoegen? Wie het voor het geld doet, is niet goed wijs. Wie een duidelijk maatschappelijk engagement nastreeft, kan beter vrijwilliger worden in een Oxfam-winkel. En de canon? Werd die niet vooral bevolkt door dead white males? De verdienste van een schrijver – het klinkt haast belachelijk – is in de eerste plaats dat hij schrijft, het naakte feit met andere woorden dat hij of zij een groot deel van zijn tijd besteedt aan de (waarschijnlijk) nutteloze bezigheid van het verhalen verzinnen en van het steeds beter leren kennen en leren manipuleren van de taal. Bij de vraag naar een miskende wetenschapper zou men sneller de wenkbrauwen fronsen dan bij die naar een miskende schrijver. Wetenschap heeft nog niet die overheersende mediareductie tot een man-tegen-man-sport meegemaakt, al zijn er natuurlijk uitzonderingen. Albert Einstein bijvoorbeeld. Onlangs was er in België veel te doen rond het Higgsdeeltje, door twee Belgen ontdekt maar vernoemd naar een Brit. In mijn krant schreef François Englert (die samen met wijlen Robert Brout het deeltje ontdekte) twee dagen lang geschiedenis, daarna was het alweer de beurt aan Roger Federer, die net voor de zevende keer Wimbledon had gewonnen. Het woord ‘miskend’ heeft in een literaire context minder te maken met de literaire canon, de hoeveelheid secundaire literatuur, een verkoopsgetal of het aantal hits in google dan met een nogal gezwollen, romantisch beeld van de kunstenaar. Niet toevallig geeft Van Dale als voorbeeld onder de definitie die ik zo-even citeerde ‘een miskend genie’. Ergens diep in het verzamelde volume van de gekapte papierplantages, hoopt men, ligt het meesterwerk verborgen van een heel bijzondere schrijver, liefst een met een tragische levensloop. En dan is het mijn taak die persoon te vinden. 1500 woorden, Jeroen, lukt dat? Maar ik heb eerlijk gezegd de tijd noch de kennis om een dergelijke zoektocht aan te vatten. Wat ik wel kan doen is wijzen op de vreemde en verontrustende onzorgvuldigheid waarmee Vlaanderen zijn literaire erfenis beheert. In 2008 deden Frank Hellemans en Karl Van den Broeck van Knack een poging om een Vlaamse canon op te stellen. Daarbij viel op dat de helft van de twintig hoogst genoteerde schrijvers en werken op die canon niet meer nieuw te verkrijgen is (en het is overigens slechts dankzij de recente uitgave van een ‘Vlaamse bibliotheek’ – ten dele ook al niet meer verkrijgbaar – dat het resultaat niet erger is). Vlaanderen mag dan voor een derde uit sympathisanten van flamingantische partijen bestaan, we mogen bijzonder trots zijn op ons tussentaaltje en onze nieuwgebouwde nepboerderijen, we zijn – in ieder geval op literair vlak – ons geheugen kwijt. Aangezien het werk van Ruyslinck niet meer te koop is, trok ik naar de openbare bibliotheek van Oudenaarde, een provinciestad van 30.000 inwoners met een trots Flandrien-imago. Men heeft er een mooie en goed beheerde collectie. Op het Internet had ik de titels gevonden van Ruyslincks bekendste boeken, maar in de rekken vond ik maar een enkel werk terug, Traumachia, uit 1999, zijn laatste maar zeker niet zijn beste roman. De bibliotheek, legde een bibliothecaris mij uit, lijdt onder plaatsgebrek en dus worden oude boeken en boeken die amper nog worden ontleend afgevoerd. Maar ik had geluk; waarschijnlijk kon ik het werk nog op zolder vinden, misschien alfabetisch op rekken, misschien al in dozen. Ik ging de trap op en stootte inderdaad op een hele collectie Ruyslinck. Ik keek even rechts en zag een stapel boeken van Jos Vandeloo. Ook Johan Daisne, Hugo Raes en Marnix Gijsen, veronderstel ik, zullen daar nog wel ergens staan. Toen ik met het air van een wetenschappelijke onderzoeker die een waardevol manuscript in zijn handen houdt de trap afkwam, nam de bibliothecaris mij vriendelijk en toch enigszins onbegrijpend op. Dus legde ik uit dat ik een tekst moest maken over miskende schrijvers, en aan Ward Ruyslinck had gedacht. ‘Ruyslinck,’ zei hij, ‘dat is toch geen miskende schrijver, meneer?’ Als men naar de verkoopscijfers, de internationale faam en de prijzen van Ruyslinck kijkt, heeft mijn sympathieke bibliothecaris natuurlijk gewoon gelijk. Volgens wikipedia ontving Ruyslinck veertien prijzen en verscheen zijn werk in twaalf talen; misschien is wikipedia niet de beste bron maar laat het gerust een prijsje meer of minder zijn. Op mijn versie van De ontaarde slapers staat: tweeëntwintigste druk. Op het omslag van Wierook en tranen lees ik: ‘Reeds 500.000 exemplaren in druk!’ Met Het reservaat bereikte de auteur ‘ook in het buitenland een groot lezerspubliek’. De gebundelde verhalen zijn het werk van ‘een Nederlandstalige topauteur met internationale faam.’ We hebben hier duidelijk niet te maken met een getormenteerde, in armoede levende, door de maatschappij verstoten, geniale eenzaat. Toch is Ruyslinck een miskende auteur. Ik geef toe dat ik even goed Hugo Raes, Jos Vandeloo, Johan Daisne of een van de andere oude, soms nog levende Vlaamse auteurs had kunnen nemen, en er Ruyslinck alleen uitpikte omdat ik zijn werk tenminste nog een beetje kende, en hij ongetwijfeld ook diegene is bij wie het contrast tussen roem en vergetelheid het extreemst is. Wat heeft de man misdaan? Of is zijn werk inderdaad jarenlang overschat, en zijn succes alleen te danken aan de gebrekkige inventiviteit van de vorige generatie leraren Nederlands? Ik denk het niet. In het werk van Ruyslinck staat veel moois. Zo is Wierook en tranen, voor het eerst gepubliceerd in 1958, een bijzonder aangrijpend, in een kale stijl geschreven oorlogsverslag. In een zinloze wereld waar dood en verkrachting alomtegenwoordig zijn, doolt de weesjongen Waldo rond, op zoek naar nieuw onderdak. Af en toe is er, ondanks alle miserie, een glimp van schoonheid of troost. De ontaarde slapers heeft een heel andere, barokke en poëtische stijl. Dit boek is het tragikomische relaas van een werkschuw en vroegtijdig afgeleefd echtpaar, Silvester en Margriet, dat zich na de oorlog uit bescherming tegen een buitenwereld die ze als kwaad en dreigend ervaren, en ook uit een soort laffe existentiële zinledigheid, in een cocon van verzinsels en lethargie heeft opgesloten. Bijvoorbeeld de volgende paragraaf volstaat om het boekje te blijven koesteren: ‘Op een morgen ontwaakten Silvester en Margriet in elkaars armen, hoe dat kon gebeurd zijn begreep geen van beiden. Ze lieten ogenblikkelijk los, keken zoals iedere andere ochtend verveeld naar het venster en zwegen erover.’ Een stille zomer, net als de vorige boeken bekroond, is een bevreemdend werkje, speels en lichtvoetig maar tegelijkertijd geplaatst in een dreigend decor. Of het nodig is er een heel boek aan te wijden, zoals Jos Borré ooit deed, durf ik te betwijfelen, maar het is zeker een tekst die er mag zijn. Ook de novelle De verliefde akela ademt een surrealistische, beklemmende sfeer. Het reservaat, een van de bekendste romans van Ruyslinck, is een dystopie waaruit blijkt dat de schrijver George Orwell goed gelezen heeft en er een niet al te leuk mensbeeld op nahoudt. Deze roman stond lang bekend als Ruyslincks meesterwerk. Nieuw kopen zal niet meer lukken, maar in de meeste scholen vindt u nog wel een twintigtal exemplaren. Dit werk is een uitstekend gecomponeerd, maar nogal drammerig en psychologisch eenzijdig verhaal over een gevoelige, kwetsbare, humanistische enkeling die in het cynisme van een gecollectiviseerde, corrupte, utilitaire, uitsluitend op winst en profijt ingerichte maatschappij ten onder gaat. Basile Jonas, die in de roman ook een Latijnse soortnaam opgekleefd krijgt, de ‘homo mollis’, is leraar, leest Goethe en probeert een meisje te redden uit de klauwen van de hooggeplaatste functionaris Johan Drexeler. Hij wordt opgepakt – vanwege het meisje maar ook wel omdat hij Goethe leest – en komt in Paalberg terecht, een reservaat voor uitstervende mensentypes, geleid door een Duitse oorlogsmisdadiger die van ethische principes niet veel last heeft maar wetenschappelijk zeker geïnteresseerd is. Jonas leeft er in comfortabele omstandigheden, maar zonder de hoop dat hij de vrijheid ooit nog terug zal vinden. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord. Het verhaal doet nogal gezwollen en ongeloofwaardig aan. Er is ook minder goed werk. Het dal van Hinnom bijvoorbeeld. Ook De bovenste trede kon mij niet overtuigen. Ik las een aantal nogal oninteressante verhalen. Het thrillerachtige De claim van de duivel is niet slecht gemaakt, maar bevat als banale moraal-van-het-verhaal dat ieder mens het kwade in zich draagt. Dieptepunt is voor mij Traumachia, een bitter boek waarin de erg goeden tegen de erg slechten ten strijde trekken, maar ten slotte winnen de erg slechten. De stijl van Ruyslinck is meestal vrij gepolijst, zijn compositie verzorgd. Zijn grote zwakte als auteur is dat je hem over het algemeen niet kunt verdenken van verfijning in de typering van zijn personages. Te vaak gaan zijn teksten ten onder aan een aanstellerig, eenzijdig donker maatschappij- en wereldbeeld, waarin de idealistische enkeling, bijvoorbeeld Basile Jonas, alleen maar ten onder kan gaan. Er valt dus zeker een ander op het werk van Ward Ruyslinck af te dingen. Dit wil niet zeggen dat deze schrijver het verdient om nog bij leven volledig in de vergetelheid te verdwijnen. Het werk van Hugo Claus bevat naast een aantal hoogtepunten evenzeer een paar dieptepunten. Niet iedere letter van Louis Paul Boon is een proefschrift waard. Ward Ruyslinck staat misschien niet op het niveau van deze beide heren, maar zij staan zelf ook niet op het niveau van hun eigen mythe. Wat het naoorlogse Vlaanderen betreft, lijkt de literaire goegemeente het patrimonium op het vlak van proza teruggebracht te hebben tot de grote volksschrijver Louis Paul Boon en de geniale speler Hugo Claus. De anderen, zou ik wel durven te beweren, zijn miskend.

NieuwsFluisterdwaas

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

Fluisterdwaas 1 (maandag 1 september 2014)

Toen ik deze website enkele weken geleden updatete, speelde ik al enige tijd met de mogelijkheid, ook een op regelmatige basis te verschijnen korte tekst in te voegen. Eerder had ik op een oude versie van mijn website blogberichten geschreven, maar ik gaf de moed snel op. Ook had ik enkele...Meer lezen

Fluisterdwaas 2 (15 september 2014)

Nogal vaak wordt door literaire critici beweerd dat mijn werk ‘geëngageerd’ of ‘maatschappelijk relevant’ is of wil zijn. Soms is het als compliment bedoeld, een andere keer als verwijt. Bijvoorbeeld schreef Bert Van Raemdonck onlangs in De standaard lovend dat ik met Onschuld ...Meer lezen

fluisterdwaas 4 (20 oktober 2014)

In ‘fluisterdwaas 2’ van maandag 15 september schreef ik over literatuur en engagement. Als het begrip ‘engagement’ in literatuur nog enige betekenis heeft, moet het, besloot ik, meer voorstellen dan een oppervlakkige journalistieke notie. Misschien is het begrip ‘maatschappelijk relevant’,...Meer lezen