fluisterdwaas 4 (20 oktober 2014)

In ‘fluisterdwaas 2’ van maandag 15 september schreef ik over literatuur en engagement. Als het begrip ‘engagement’ in literatuur nog enige betekenis heeft, moet het, besloot ik, meer voorstellen dan een oppervlakkige journalistieke notie. Misschien is het begrip ‘maatschappelijk relevant’, zoals Juli Zeh betoogt in haar recente boekje Briefroman, gewoon een tautologie, want literatuur is – los van haar inhoud – altijd maatschappelijk relevant. En hierover wilde ik nog wat langer nadenken. Ik eindigde met ‘wordt vervolgd’. Eerst wil ik de vraag opentrekken naar kunst in het algemeen. In het boeiende essay Het streven vraagt schrijver en kunstcriticus Hans den Hartog Jager (Athenaeum – Polak & Van Gennep 2014) zich aan de hand van een hele resem recente werken af of hedendaagse kunst de wereld kan verbeteren? Aanleiding voor zijn reflectie vormt het ambitieuze kunstproject Episode 3: Enjoy Poverty van Renzo Martens, dat den Hartog Jager (terecht) als een meesterwerk beschouwt. Enjoy Poverty is een film waarin Martens als een knappe, zowel naïeve als arrogante eenentwintigste-eeuwse versie van Joseph Beuys naar Congo reist. Hij komt tot de vaststelling dat de sommen die de internationale gemeenschap aan armoedehulp besteedt groter zijn dan Congo’s totale jaarlijkse productie van koper, coltan en diamanten bij elkaar. Blijkbaar is armoede Congo’s grootste exportproduct. Martens ontpopt zich tot een man met een missie. De plaatselijke bevolking moet ervan op de hoogte worden gebracht dat hun armoede hen bijzonder maakt. ‘Doordat zij, Congolezen, niks hebben, honger lijden, elkaar doodschieten en op gruwelijke wijze verminken,’ schrijft den Hartog Jager, ‘bieden ze de rijke westerse mens de mogelijkheid te hulp te schieten, altruïsme te bedrijven, zijn eigen comfortabele positie te koesteren en zich nóg beter te voelen door beelden van die goedheid te maken en die over de wereld te verspreiden. En trouwens, wat betekent Congo zonder armoede? Armoede geeft Congo een gezicht, een identiteit, armoede is een unique selling point’. Hoogtepunt van de film is de (aan bijvoorbeeld Jenny Holzer herinnerende) neonsculptuur waarmee Martens door de jungle zeult – of beter gezegd, waarmee hij plaatselijke jongelui laat zeulen. Wanneer Martens in een afgelegen dorp komt, bouwt hij de sculptuur op, een dieselgenerator schiet in gang, blauwe neonletters tonen de boodschap ‘Enjoy Poverty (please)’, de hele nacht danst het dorp rond de sculptuur. Op indringende wijze klaagt Martens de westerse dubbele moraal aan in onze omgang met een land als Congo. Tegelijkertijd schuilt de kracht van Enjoy Poverty net in de manier waarop de film zijn eigen aanklacht ondergraaft. De manier waarop Martens te werk gaat is op z’n zachtst gezegd dubieus. Hij verschilt amper van de door hem in hun hemd gezette westerse fotografen, verdient net als zij goed geld met het in beeld brengen van aan honger of oorlogsomstandigheden stervende mensen. Zijn werk is en blijft een product in een kunst- en filmmarkt die zich uitsluitend tot westerlingen richt. Met naïeve of brutale eerlijkheid zegt hij dan ook tegen een jongeman in het dorp waar de neonsculptuur wordt opgezet: ‘Het is in het Engels. Voor het publiek moet het in het Engels zijn.’ Zo wordt Enjoy Poverty niet slechts een aanklacht tegen onze omgang met Congo, maar ook tegen geëngageerde kunst, waarvan in negenennegentig procent van de gevallen (en ook in het geval van Martens) alleen de kunstenaar zelf beter lijkt te worden. Als metafoor voor de zelfgenoegzame kunstwereld kiest den Hartog Jager een werk van Hans Haacke, godfather van de maatschappijkritische kunst. Condensation Cube (1963) is een plexiglazen kubus met aan de binnenkant een dun laagje water op de bodem, dat door het temperatuurverschil met de museumzaal voortdurend verdampt, opstijgt en weer neerdruppelt, een perfect, voortdurend in beweging blijvend, maar ook in zichzelf opgesloten ecosysteem. Van diezelfde Haacke is Shapolsky et al. Manhattan Real Estate Holdings, a Real-Time Social System, as of May 1, 1971 (1971), een reeks van 142 foto’s van verwaarloosde gebouwen in de New Yorkse Lower East Village. In een extra lijst hangt daarnaast een ingewikkeld lijnenschema waarop Haacke laat zien hoe verschillende juridische eigenaren zich laten terugvoeren tot zo’n twee of drie families, in het bijzonder vastgoedhandelaar Harry Shapolsky. Het werk werd door de directeur van het Guggenheim geweigerd met als uitleg: ‘Work that violates the supreme neutrality of the work of art and therefore no longer merits the protection of the museum.’ Uiteraard maakte net die weigering – neutraliteit? – het werk groot, waardoor het nu wordt gezien als ‘een van de meest gedurfde en uitdagende werken van de afgelopen vijftig jaar’. Maar interessant genoeg bleek, toen den Hartog Jager op het internet het effect van Shapolsky et. al op de praktijken van de Harry Shapolsky opzocht, dat hierover niets te vinden was. De conclusie was onthutsend: hoewel Shapolsky et al. een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan het verleggen van de artistieke grenzen, waarover op blogs en fora allerhande wordt gediscussieerd en gereflecteerd, interesseert het maatschappelijke effect in wezen niemand. Hoe overstijg je de kunst? Ook Renzo Martens lijkt met dit probleem van alle geëngageerde kunst te worstelen. In een verhelderende passage in Het streven praat den Hartog Jager met Martens terwijl deze aan Yale University deelneemt aan het World Fellow-programma, opgezet met de bedoeling ‘rising stars from across disciplines and borders’ bij elkaar te brengen. ‘Plan to change the World? We help.’ Het is haast onmogelijk, niet te glimlachen bij die slogan. Interessant echter is dat Martens zelf hier anders over denkt. Hij werkt aan een nieuw project in Congo, nu voor de mensen ter plaatse, maar hij beseft dat hij het geheel, als hij iets voor elkaar wil krijgen, niet langer als kunst zal mogen presenteren. ‘Moet het dan nog wel kunst willen zijn?’ vraagt den Hartog Jager hem. Martens antwoordt: ‘Misschien gaat het daar wel niet meer om.’ De wereldverbeteraar Martens is op een punt gekomen waar hij bereid is, de kunstenaar Martens aan de kant te schuiven. Niet dat hij, als hij iets wil bereiken, veel keuze heeft. Kunst en maatschappij zijn volledig gescheiden werelden geworden. De oorzaak voor de opgetrokken muur zoekt den Hartog Jager in het zelfstandigheidsstreven van de negentiende-eeuwse romantici en vooral het l’art-pour-l’art-programma van modernisten. Het pre-romantische kunstenaarschap was dienend van aard. De gedachte dat een kunstenaar zijn eigen subjectieve gevoelens zou uitdrukken, bestond gewoon niet. Pas met de romantiek ontstond het clichébeeld van de kunstenaar als een geniale verschoppeling, die op een zolderkamer meesterwerken schept, geïnspireerd maar ongelukkig, misschien verslaafd aan drank of drugs. Vanaf het midden van de negentiende eeuw gingen mensen als Edouard Manet en de impressionisten in Frankrijk in hun strijd tegen het starre, op klassieke leest geschoeide ‘verheven realisme’ van de Parijse salon op zoek zowel naar een nieuwe vormentaal als naar nieuwe inhoudelijke mogelijkheden, los van de bekende thema’s, normen en waarden. Het nog altijd behoorlijk ontregelende meesterwerk van Manet, Le déjeuner sur l’herbe, was in ieder van zijn details een brutale declamatie van die artistieke autonomie. Ironisch genoeg dus wortelt de machteloosheid van de kunst in de pogingen van de avant-garde om zich los te rukken van de starre bestaande structuren. Om dit te kunnen bewerkstelligen moest (vaak ook letterlijk, in de vorm van de musea) een muur opgetrokken worden, die mogelijkheden schiep, maar ook nieuwe beperkingen creëerde. De kunst ging zich afspelen in een volledig afgescheiden domein, dat weliswaar haast vanzelfsprekend als kritisch, progressief en zelfs revolutionair gold, waar alles mogelijk was en slechts heel weinig taboes golden, maar dat binnen zijn eigen grenzen bleef. De buitenwereld kon misschien in de kunst binnenkomen, met als gekendste voorbeeld waarschijnlijk Fountain, het door Marcel Duchamp in een museum geplaatste urinoir. De omgekeerde richting was veel problematischer. Dat heel wat geëngageerde kunstenaars tijdens het interbellum op erg naïeve wijze met het Stalinisme heulden, heeft de zaken er natuurlijk niet eenvoudiger op gemaakt. De autonomie van de kunst ontkennen, lijkt het, leidt tot problematische stellingnamen, in het extreme geval tot totalitair denken. (wordt vervolgd)

NieuwsFluisterdwaas

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

Fluisterdwaas 1 (maandag 1 september 2014)

Toen ik deze website enkele weken geleden updatete, speelde ik al enige tijd met de mogelijkheid, ook een op regelmatige basis te verschijnen korte tekst in te voegen. Eerder had ik op een oude versie van mijn website blogberichten geschreven, maar ik gaf de moed snel op. Ook had ik enkele...Meer lezen

Fluisterdwaas 2 (15 september 2014)

Nogal vaak wordt door literaire critici beweerd dat mijn werk ‘geëngageerd’ of ‘maatschappelijk relevant’ is of wil zijn. Soms is het als compliment bedoeld, een andere keer als verwijt. Bijvoorbeeld schreef Bert Van Raemdonck onlangs in De standaard lovend dat ik met Onschuld ...Meer lezen

Fluisterdwaas 3 (6 oktober 2014)

Vorige vrijdag, 3 oktober, overleed Ward Ruyslinck. Twee jaar geleden schreef ik een tekst over zijn werk, die nooit gepubliceerd is. De tekst moest als column dienen voor De leeswolf, en paste in een reeks rond miskende schrijvers. Ward Ruyslinck miskend? Is hij niet de man die...Meer lezen