Iets over poëzie, vrij schetsmatig

Ik ben online, hoera. Ik probeerde de banner van de uitgeverij op deze site te plaatsen  maar slaagde er niet in. Bovendien is mijn site zoals die er nu staat wel erg sober, terwijl ik net zo’n boeiende, complexe persoonlijkheid heb, of in ieder geval de ambitie heb om bij mijn medemens bekend te staan als een boeiende, complexe persoonlijkheid. Ik hoop nu snel iemand te vinden die mij kan helpen deze webstek wat mooier te maken, en mij kan leren hoe ik ermee moet werken. Vervolgens zal ik de virtuele wereld met overtuiging en strijdlust te lijf gaan. Op facebook heb ik intussen 148 vrienden (en één iemand die nog wacht op mijn bevestiging), jammer genoeg ben ik nog altijd te trots en te schuchter om zelf mensen te vragen of-ze-mijn-vriend-willen-zijn. Maar eerst inhoud! Ann De Craemer droeg vorige week, op Allerzielen, nog maar eens de poëzie ten grave. Er is intussen al wat reactie gekomen op haar stukje, maar ik wil misschien ook snel iets schrijven. Een eerste poging, al moet ik wennen aan dit snelle genre. Ik heb de gewoonte mijn woorden te kauwen en te herkauwen en te kauwen en te herkauwen (in tegenstelling tot mijn eten overigens). (Ik had nu al minstens twee of drie koppelingen, bvb naar de website van Ann De Craemer, moeten toevoegen, maar het lukt nog niet.) Die column dus. De Craemer reageert op Koen Stassijns die beweerde dat de boekhandels en poëziefestivals een grotere inspanning moeten doen om poëzie bij de mensen te brengen. Volgens haar is het probleem niet het aanbod, maar de vraag. En de vraag naar, of behoefte aan poëzie is zo beperkt omdat heel eenvoudig – en helaas! – poëzie niet meer van deze tijd is. Mensen hebben het geduld niet meer. Vervolgens vraagt De Craemer zich af: ‘stel dat ik fout ben!’ Ze concludeert in dat geval dat het probleem in Vlaanderen is dat de dichters ofwel postmoderne navelstaarders ofwel melancholieke navelstaarders zijn, maar dat er geen politieke of geëngageerde poëzie is. Als die er wel zou zijn, als er poëzie was die in de wereld stond, zouden mensen gedichten lezen. Dat tweede argument zal ik niet bespreken, want ik vind het een beetje zwak. Het eerste punt dan. Is poëzie uit de tijd? Daarmee bedoelt De Craemer duidelijk niet dat poëzie op zich volledig waardeloos geworden zou zijn, niet dat poëzie ineens lelijk of onnozel is. Het probleem ligt in de eerste plaats bij een veranderde tijdsgeest, bij wat Sandro Barrico (in De barbaren) de ‘horizontale mens’ noemt, een mens die eerder op zoek gaat naar een snelle sequentie van ervaringen dan naar diepgang. Allereerst even opmerken dat het argument dat poëzie geduld en concentratie vereist uiteraard niet opgaat voor veel poetry slam en het aparte circuit van de cafédichters (Coenraad De Waele en co). Maar het is ongetwijfeld niet op dit type performer/dichter dat De Craemer doelt. Wat is poëzie eigenlijk? Die vraag is te algemeen om snel even online te beantwoorden. Ik zie vandaag twee manieren waarop poëzie geschreven en gelezen wordt (ik ga nu wel kort door de bocht, uiteraard). Je hebt allereerst dichters en lezers die op zoek gaan naar een mooie verwoording van een vaag ‘authentiek’ gevoel (liefde, melancholie, die dingen). Zij winnen vaak (maar zeker niet altijd) de prijzen, doen in wezen echter hetzelfde als televisie of popmuziek, alleen met woorden op een blad en volgens sommigen dus diepzinniger. Zijn zij uit de tijd? Nee, niet noodzakelijk, maar vandaag heeft een mens die op zoek is naar ‘authentieke’ expressie een overkill aan mogelijkheden om zijn verlangen te bevredigen. Poëzie verdrinkt in de massa. Liefdesgedichten, heimweegedichten, dood- en geboortegedichten, o-dit-is-zo’n-mooie-koe-in-de-wei-gedichten, de-tijd-vergaat-gedichten. We worden met 'authenticiteit' platgeslagen, er is hier misschien nog plaats voor poëzie in een kleine niche maar daar houdt het waarschijnlijk op. Het tweede type is poëzie die een spel met taal en werkelijkheid speelt. Met woorden, met zinnen en met het discours dat we rond ons horen, met woorden en al hun mogelijke betekenissen, referenties, contexten, sentimenten etc creëert iemand een taalgeheel dat losgerukt is van de werkelijkheid waaraan we iedere dag deelnemen, en er tegelijkertijd aar verwijst. Misschien is dit wat te theoretisch of te rommelig verwoord. Als poëzie dit is, taal die op een blad papier (of andere drager) wordt gebracht en waarmee een spel wordt gespeeld en een taalwerkelijkheid wordt gecreëerd (die nooit helemaal los staat van de bestaande werkelijkheid, omdat ook die grotendeels uit taal bestaat), betreft het iets unieks, iets wat alleen in poëzie kan (het zal wel duidelijk zijn dat mijn voorkeur hier ligt). Maar je moet er natuurlijk wel even bij gaan zitten. Poëzie in deze zin vereist dat je afstand neemt, en is haast altijd enigszins intellectueel (maar daarom nog niet intellectualistisch of ‘postmodern’ - iemand zou eens moeten verbieden dat men dat veelal betekenisloze woord 'postmodern' nog gebruikt). Ik vrees dat deze poëzie altijd een redelijk beperkte groep zal aanspreken. Uiteraard schiet zo’n strikte tweedeling tekort. Over hoe wij denken over poëzie hangt een zware schaduw van zowel de romantiek als de historische avant-garde. De romantiek met haar geniecultus, authenticiteit, gevoelsexpressie edm. De modernistische avant-garde met de beladen gedachte dat kunst een nieuwe mens (eventueel een nieuwe maatschappij) en een unieke, nieuwe, moderne waarheidservaring kan creëren. Vandaag is de romantiek een cliché geworden – er is een overkill aan romantiek – en is de avant-garde voorbij. Het eerste, die overkill aan romantiek, is ergerlijk (en zorgt er bijvoorbeeld voor dat wie ‘ik hou van jou’ zegt spontaan ook ironisch glimlacht omdat hij/zij direct de indruk heeft dat hij/zij zich in een Amerikaanse film bevindt). Het tweede, de avant-garde die voorbij is, vind ik niet zo erg. Er wordt soms te veel waarde aan de poëzie gehecht. Poëzie is waardevol, het is goed dat ze er is, het is fantastisch dat ze er is, maar ze zal ons niet een of andere epifanische waarheid brengen die we anders mislopen. 95% van mijn vrienden leeft zonder poëzie, en ze doen dat prima. Als we de moderne wetenschap niet hadden, zag ons leven er helemaal anders uit. Als we de moderne poëzie niet hadden, hielden we ons wel met iets anders bezig dat ook waardevol was. Is poëzie uit de tijd? Een citaat uit het heerlijke 'Humboldt’s Gift' ('Humboldts nalatenschap') waarvoor Saul Bellow eind jaren zeventig de Nobelprijs kreeg, en dat ik toevallig herlees. Humboldt is het prototype en tegelijkertijd de karikatuur van zowel de romantische als de modernistische dichter (want uiteraard wortelt ook het gezwollen programma van de avant-garde in de romantiek), poëzie is een ‘fanatieke bezetenheid’ voor hem, hij wil een ‘goddelijk kunstenaar worden, een mens, betoverd door visioenen en platonische bezetenheid.’ Maar hij leeft in een tijd waarin de ‘avant-garde nog maar een herinnering’ is. De tijd wil niet meer mee. ‘Orpheus kon stenen en bomen verplaatsen. Maar de dichter kan geen uterusresectie uitvoeren of een satelliet lanceren. Wonderen en macht zijn niet langer zijn eigendom.’ Is poëzie dus uit de tijd? Welnee. Wordt het commercieel nog ooit iets? Ik vrees er (alvast in onze contreien) een beetje voor. Wel uit de tijd is die gedachte waarvan veel dichters nog altijd niet los komen, dat de dichter een broodnodige, life changing waarheid kan openbaren die alleen in poëzie bestaat. Ik was als kind vreselijk godsdienstig, en moet vandaag bij de meeste poëzielezingen spontaan aan een eucharistieviering denken, en wil dan zo snel mogelijk vluchten. Poëzie zit vandaag in de marge en zal daar waarschijnlijk blijven, jammer misschien voor wie (net als ik) dichter is, maar het is nu eenmaal zo. Wie voor poëzie kiest, legt zich daar beter bij neer. Geen enkele kantklosvereniging zou het in zijn hoofd halen, schande te spreken wanneer iemand in een column beweert dat het kantklossen niet tot de mainstream behoort. Ach nee, die laatste zin klinkt als cultuurrelativisme, wat ook weer niet de bedoeling is (met alle respect voor kantklosverenigingen overigens). Ik heb vandaag maar direct in de roman die ik schrijf een grapje toegevoegd (dat waarschijnlijk in de uiteindelijke versie weer verdwijnt): ‘In 1969, na de dood van haar man, heeft Marthe alsnog enige beroemdheid verworven toen ze een wat rommelig gedicht van negenhonderd verzen publiceerde, dat in de avant-gardistische Vlaamse poëzietraditie enige tijd een cultstatus heeft kunnen behouden (het schijnt dat Dirk van Bastelaere eruit geplagieerd heeft). Uiteindelijk in 1992, na een droom over een groot blauw vliegtuig, is ze in haar slaap overleden.’ Genoeg.

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

Omwegen langs de Vlaamse boekhandel

Op de laatste dag van mei vertrek ik op omweg langs de Vlaamse onafhankelijke boekhandel voor een reeks lezingen en gesprekken met collega's, in een informele sfeer. Toegang is gratis, en iedereen is welkom (zie ook de kalender). Staan al vast:...Meer lezen

Papzak van anderhalve kilo

  Deze recensie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli verscheen op recensiesite de...Meer lezen