Moet literatuur maatschappelijk relevant zijn?

Deze tekst stond vandaag, 23/9/15 in De morgen. 

 

Moet literatuur maatschappelijk relevant zijn?

 

De literatuur gaat in golven, en zo komt om de paar jaar de roep terug om meer engagement. In 2009 schreef de Nederlandse hoogleraar Thomas Vaessens er een heel boek over, waarin hij ervoor pleitte dat schrijvers hun splendid isolation zouden verlaten en publiekszoekers worden. Na de aanslag op Charlie Hebdo vroeg Dirk Leyman zich af waarom de schrijvers niet luider reageerden. En enkele weken geleden, toen het Vlaams Fonds voor de Letteren zijn beleidsplan voor de komende jaren bekendmaakte, verklaarde directeur Koen Van Bockstal dat de beoordelingen in de adviescommissies meer rekening zouden houden met de maatschappelijke waarde van literair werk.

Je vraagt je dan af: is er een trend? De Vlaamse schrijver Ivo Victoria verzuchtte op facebook: ‘Een tijdje terug werd er geklaagd over het gebrek aan maatschappelijk engagement onder Nederlandse en Vlaamse schrijvers. Ondertussen ken ik zoveel auteurs die momenteel werken aan een maatschappelijk geëngageerde roman dat ik enorm veel zin begin te krijgen om aan een ouderwetse deurenkomedie te beginnen.’

In ieder geval schuwt een van de sterkste Nederlandse boeken van de laatste maanden, Een honger van Jamal Ouariachi, de maatschappelijke thema’s niet. En ook Annelies Verbeke verwerkt in haar knappe roman Dertig dagen actuele thema’s als xenofobie en de vluchtelingenkampen rond Calais. Intussen fulmineert Jeroen Olyslaegers op facebook tegen de ‘neoliberale bezetting’. Zelf schreef ik, modebewust als ik ben, vorig jaar een roman over een gekidnapte oorlogsfotograaf en een Syrische vluchteling. In poëzie is er De eenzame uitvaart, het initiatief van Maarten Inghels en anderen om gedichten te schrijven voor eenzaam gestorven mensen.

Maar is de actualiteitswaarde een parameter die we in de beoordeling van literatuur kunnen gebruiken? Moeten we in wat het Vlaams Fonds omschrijft als ‘de realiteit van de superdiverse samenleving’ het werk van Peter Terrin, waarin bij mijn weten vooral blanke mannen als protagonist optreden, minder waardevol vinden dan die laatste Verbeke? Stel dat de eenzaam gestorven sukkelaars uit De eenzame uitvaart morgen een verzinsel blijken te zijn, en de gedichten dus op fictieve personages berusten, verliest het boek dan zijn kracht?

 

Muur

In een tekst uit 1996 legt Jonathan Franzen uit dat hij aan zijn eerste boek begon als man van 22 die ervan droomde de wereld te veranderen. Zes jaar later werkte hij een ‘cultureel geëngageerde roman’ af (De 27ste stad) en merkte dat het enige wat hij ermee bereikte ‘zestig recensies in het luchtledige’ waren. Hij schreef een tweede boek, provocatiever dan het eerste, maar het resultaat was hetzelfde: goede recensies, redelijke verdiensten en verder een dodelijk stilzwijgen. Vervolgens werd hij depressief.

Franzen had een fout gemaakt. Hij had zijn werk als een middel gezien in de strijd tegen een cultuur in crisis, maar was tot de vaststelling gekomen dat de roman als uitdrukkingsvorm voor dit type engagement niet veel teweegbracht, en voelde zich nutteloos. In een brief aan Don DeLillo drukte hij zijn wanhoop uit, waarop deze antwoordde dat hij wat minder moest piekeren en dat een roman gewoon is ‘wat romanciers in een bepaalde periode schrijven’. Franzen kwam erbovenop, schreef De correcties, en werd wereldberoemd.

Wie esthetisch schrijft, wil de wereld zien uitmonden in een boek. Wie geëngageerd schrijft, zou je kunnen beweren, wil een boek zien uitmonden in de realiteit. Maar het mag wel duidelijk zijn dat schrijvers die tot de tweede categorie behoren, met twee problemen af te rekenen hebben. Ten eerste kan er weinig twijfel bestaan dat er voor wie de wereld wil verbeteren efficiëntere methodes zijn dan literatuur: een pamflet, een politieke partij, een medicijn, een actiegroep, een bom. Ten tweede dreigt de activistische agenda de literaire kwaliteit van het werk naar het tweede plan te duwen. Personages worden karikaturen. De stijl wordt veronachtzaamd. De gelaagdheid die de basis vormt van alle goede literatuur verdwijnt.

Dit betekent niet dat er geen voorbeelden zijn van literaire werken die iets teweeg hebben gebracht. Een oud voorbeeld is Oliver Twist, dat Charles Dickens schreef met de duidelijke bedoeling, de vreselijke omstandigheden waarin arme kinderen leefden ten gevolge van de Poor Law aan te klagen. Maar als we dit boek bijna honderd tachtig jaar na verschijning nog waardevol vinden, is het net omdat de verhalenverteller Dickens het concrete engagement ver overstijgt. Velen weten niet eens meer wat zijn achterliggende maatschappelijke bedoelingen waren. Het is interessant, Oliver Twist te vergelijken met Dimitri Verhulsts recente boek Kaddisj voor een Kut, dat een vergelijkbare bedoeling heeft, de leefomstandigheden in een jeugdinstelling aanklagen. Had dit boek, geschreven door een van de meest gelezen en gelauwerde schrijvers van zijn generatie, effect op wat de publieke opinie over jeugdinstellingen denkt? Amper. Als het boek geprezen of bekritiseerd werd, was het in de eerste plaats op formele gronden als stijl, taal, plot.

En daar bestaat een goede reden voor.

Zoals kunstcriticus Hans den Hartog Jager uitlegt in zijn recente studie Het streven. Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren, staat er een muur tussen de werkelijkheid en de kunst. Het zijn twee afgescheiden domeinen. De oorzaak is het zelfstandigheidsstreven van de negentiende-eeuwse romantici en later van de modernisten. Het pre-romantische kunstenaarschap was dienend van aard. Met de romantiek ontstond het clichébeeld van de kunstenaar als een geniale schepper. Daarvoor moest hij wel autonoom worden. Er moest een vrijplaats gecreëerd worden waar de kunstenaar de mogelijkheid had, onafhankelijk van eisen van buitenaf te experimenteren en zich uit te drukken. Die geïnstitutionaliseerde vrijheid is een tweesnijdend zwaard. Wat in de werkelijkheid niet mogelijk is, kan wel in de kunst, maar enkel omdat de kunst achter een muur staat.

Een roman is niet het leven, maar een brok taal. Personages zijn geen mensen, maar in zinnen uitgedrukte eigenschappen. De literatuur is een systeem met eigen wetten en regels, die verschillen van de wetten van de realiteit. Dit verklaart waarom meer participatie van zwakkere groepen in de maatschappij een goede zaak is, maar niet noodzakelijk betere literatuur oplevert. Zoals Stefan Hertmans hierover ooit schreef: ‘Met de kwaliteit van kunst heeft een dergelijke roep niets uit te staan. Het feit dat er onderscheid wordt gemaakt tussen kunst die geëngageerd is, en dus politiek correct, nuttig en ondersteuningswaardig zou zijn, en anderzijds kunst die de afzichtelijke blasé heeft daar niet meteen onvoorwaardelijk aan mee te doen, dreigt de dynamiek van een levendige, kritische kunst grotendeels lam te leggen.’ Het initiatief van het Vlaams Fonds voor de Letteren om op diversiteit in te spelen is goed bedoeld, en misschien ook nuttig, maar heeft met literair engagement niets te maken.

 

Literaire reflectie

In feite is de vraag verkeerd gesteld. We moeten niet uitvissen of een literaire tekst de taak heeft om maatschappelijk relevant te zijn, maar of en hoe schrijvers naast tijdloze literaire thema’s, motieven en strategieën toch ook andere, aan tijd en plaats gebonden aspecten kunnen behandelen.

Als er een muur staat tussen kunst en werkelijkheid, lijkt dit op het eerste zicht niet het geval. In de beeldende kunst vindt den Hartog Jager een mooie metafoor, Condensation Cube van Hans Haacke. Dit kunstwerk uit 1963 is een plexiglazen kubus met aan de binnenkant een dun laagje water op de bodem, dat door het temperatuurverschil met de museumzaal voortdurend verdampt, opstijgt en weer neerdruppelt, een zichzelf regulerend maar ook in zichzelf opgesloten ecosysteem.

De Condensation Cube van de literatuurkritiek is het New Criticism. Volgens deze stroming, die vanaf het midden van de twintigste eeuw opgang maakte, mocht je een literair werk alleen maar beoordelen op formele kwaliteiten. De literatuur is een talige werkelijkheid die alleen naar zichzelf verwijst. De naweeën van deze stroming leidden er op den duur toe – in Nederland meer dan in Vlaanderen – dat de gedachte dat literatuur op een of andere manier met onze levens en samenleving te maken heeft, verdween.

Maar zo werkt het natuurlijk niet. In zijn extreme vorm bestaat zo’n afscheiding tussen de talige wereld van de literatuur en de realiteit niet. De muur bevat ramen. Elk woord dat ik in een roman gebruik, is eerder in de realiteit gebruikt, en elk beeld roept associaties op. Geen kunstenaar leeft in het luchtledige, L’art pour l’art bestaat dus niet.

Het is om die reden dat Juli Zeh in haar recente boek Briefroman, zelfs nadat ze eerst de spot heeft gedreven met het gemak waarmee woorden als ‘engagement’ en ‘relevant’ worden gebruikt, verrassend besluit dat literatuur altijd maatschappelijk relevant is, geheel los van haar inhoud. In een beeldcultuur waar boeken kreunen onder de concurrentie van internet, televisie, games en films, en niet alleen slecht verkopen maar bovendien niet langer de hogere status genieten die ze ooit hadden, is dit een boude uitspraak. Je zou haast zeggen: wereldvreemd.

Toch klopt ze. Of moet ze kloppen. In de eerste plaats dus omdat ik zelf schrijf en bij ieder boek diep binnenin overtuigd ben dat het erg belangrijk, gewoon onmisbaar is. Een beetje schrijver of kunstenaar – ik ben geen uitzondering – lijdt aan een ernstige vorm van cognitieve dissonantie. Terwijl niemand op zijn meesterwerk zit te wachten en hij sowieso slechts een stipje is op een kiezel rond een kleine ster, gelooft hij dat zijn stem een wezenlijke toevoeging vormt aan ons begrip van mens en kosmos.

Maar dit is geen argument. Er bestaat, zoals de Spaanse schrijver Javier Marías beweert, misschien zoiets als literaire reflectie, over de dingen nadenken op een literaire manier, een soort reflectie die zeker niet beter is dan een wetenschappelijke, historische of filmische reflectie, maar wel anders. Misschien is literatuur niet alleen amusement, maar een vorm van kennis, een poging om het mysterie van het mens-zijn, de tragikomische onbegrijpelijkheid van het bestaan in taal te vatten. Het kernthema van de literatuur is het raadsel van het ik, het onvatbare geluk of ongeluk, als individu te bestaan.

 

Sluier

Het klinkt zwaarwichtig, haast gênant. Reflectie? Goh, u kocht dat boek toch gewoon om dat uurtje op de trein te doden. Maar is niet alle kunst gênant? Opnieuw Juli Zeh: ‘Mijn verhalen en romans bewaarde ik vroeger stiekem in een gat dat ik in de plankenvloer van mijn kinderkamer had gezaagd. Ik geneerde me voor mijn geschrijf. Dat is nog steeds zo. Het is waarschijnlijk gewoon zo dat wij gênant zijn. Het mens-zijn op zich is gênant.’

Dat literatuur een vorm van reflectie is, neemt het plezier niet weg dat je aan een tekst kunt beleven. In hetzelfde essay waar hij zijn twijfel over engagement uitspreek, merkt Franzen op dat heel weinig goede literatuur niet geestig is, en nog minder écht goede literatuur niet écht geestig. Tegelijkertijd wil hij dat boeken ‘tragisch’ zijn, waaronder hij verstaat dat ze meer vragen oproepen dan ze beantwoorden.

Het betekent evenmin dat schrijvers moeten vermijden, literatuur te schrijven die op de huidige tijd inspeelt. Mens-zijn is vandaag niet hetzelfde als tweehonderd jaar geleden, toen de levensverwachting zo’n vijfendertig jaar was, en zal over tweehonderd jaar weer helemaal anders zijn. Ieder boek is eigentijds. 

Een vaak gehoorde opmerking is dat literatuur een te traag medium is voor actualiteit. Maar dit argument is een zwaktebod. ‘Je kunt’, zei de betreurde Joost Zwagerman, ‘je eigen tijd opmeten en een plaats geven in een verhaal met een universele geldigheid.’ Goede literatuur kan ons door de kracht die ervan uitgaat helpen onze huidige tijd te doorgronden. Een van de grootste clichés over literatuur, legt Bas Heijne uit in zijn mooie essay Echt zien, is dat mensen elkaar nu eenmaal verhalen vertellen, en die verhalen nodig hebben. De wereld is inderdaad vol verhalen, maar de meeste ervan zijn dogmatisch en clichématig. De menselijke verbeelding legt een sluier over de werkelijkheid. Literatuur kan met fictie die fictie te lijf gaan. Een eenduidig inzicht biedt literatuur echter nooit, want haar kern is de complexiteit.

Is dat genoeg? Misschien. Is het relevant? Ik hoop het. Goede literatuur heeft maatschappelijke waarde niet vanwege een of ander quotum of politiek correct thema, maar omdat ze een prachtige, gênante (en uiteraard plezierige) poging is, vanuit onze eigen tijd de menselijke realiteit in taal te vatten, dwars door alle ons omringende clichés en veralgemeningen heen. 

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

vijf sterren in 'De standaard'

In de boekenbijlage van 'De standaard' krijgt mijn boek van recensent Bert Van Raemdonck het maximum van vijf sterren. Liefst zou ik het hele stuk citeren, maar ik probeer mij een beetje in te houden: 'Theunissen heeft aan de levensloop van zijn hoofdfiguren zoveel kronkels en bochten gegeven...Meer lezen

Eenzaamheid, en hoe ze te schrijven

Deze tekst verscheen in De Standaard op 19 april 2014, naar aanleiding van het overlijden van Gabriel García Márquez. Het is bijna een cliché, zeggen dat Gabriel García Márquez, die donderdag overleed, een uitzonderlijk schrijver was, een van de allergrootsten van de voorbije decennia...Meer lezen