Raad van de oppercronopio

Onderstaande tekst over Julio Cortazar, cronopio's, literatuur en engagement verscheen in nr 147 (december 2013) van het literaire tijdschrift Deus ex Machina:     Raad van de oppercronopio   Ieder jaar heeft zijn dode schrijvers die herdacht dienen te worden. In 2013 waren dat bijvoorbeeld Albert Camus, die honderd werd, en Denis Diderot, die de gezegende leeftijd van driehonderd jaar bereikte. Beide heren (of wat overblijft) heeft men naar het Pantheon proberen te verhuizen, voorlopig zonder veel succes. Om definitief te kunnen besluiten of beide heren ook tot de niet helemaal menselijke soort van de cronopio’s behoren, is meer onderzoek nodig. De oppercronopio, Julio Cortázar, ligt in ieder geval niet in het Pantheon. Cronopio’s in het Pantheon, dat zou belachelijk zijn. Cortázars mooie, witte grafsteen is op Montparnasse te vinden. 2014 zou zijn jaar kunnen worden, al zou het me verwonderen dat hij in het Nederlandse taalgebied herdacht wordt. De Argentijn Cortázar, overigens in Elsene geboren, had op 26 augustus 2014 honderd kunnen worden, maar stierf bijna dertig jaar geleden, op 12 februari 1984, aan leukemie. Hij heeft een immens oeuvre achtergelaten, dat misschien af en toe wat te naïef, idealistisch, chaotisch en onconventioneel blijkt te zijn om het predicaat ‘geniaal’ mee te krijgen, maar nog voldoende prachtige pagina’s bevat, vooral in enkele heerlijke korte verhalen, om lezers te blijven bekoren. En laten nu net naïviteit, idealisme, chaos en onconventionaliteit de kenmerkende eigenschappen zijn die een cronopio zijn charme verlenen. Toen Julio Cortázar in het begin van de jaren vijftig in Parijs een concert bezocht en tijdens de pauze alleen in de leeglopende zaal achterbleef, zag hij ineens zwevende, ondefinieerbare personages, enigszins bolvormig, die hem heel aangenaam en vriendelijk leken. Ze kwamen zomaar aangevlogen, waren relatief menselijk, en het was volkomen logisch dat hij hun de naam ‘cronopio’ moest geven. In zijn heerlijk absurde boekje Historias de cronopios y de famas, en later in La vuelta al día en ochenta mundos, worden de hebbelijkheden en onhebbelijkheden van deze wezens beschreven, en wordt hun manier van leven vergeleken met de manier van leven van de rationele, georganiseerde en zelfingenomen fama’s en de nogal simpele, saaie esperanza’s. Over hun uiterlijk komen we nooit veel te weten, behalve dat ze ‘die groene, vochtige dingen’ zijn. Charlotte Mutsaers geeft in Paardejam een vrij volledige beschrijving van de cronopio. Hij stikt gewoonweg in een leven dat door anderen in ruitjes is opgedeeld en het enige wat hij ertegen in het geweer kan brengen is het spel. (…) Maar niet alle hebbelijkheden die Cortázar zijn geesteskinderen toedicht zijn zo plezierig. Cronopio’s willen geen kinderen, omdat het eerste wat een pasgeboren cronopio doet het beledigen van zijn vader is, in wie hij vaag de opeenhoping van ongeluk ziet dat eens zijn deel zal worden. Cronopio’s die hun geliefde liederen zingen, raken soms zo enthousiast dat ze zich laten overrijden door auto’s of fietsers. Cronopio’s zijn niet principieel edelmoedig. Ook al zien ze de ontroerendste dingen, ze lopen eraan voorbij omdat ze net bezig zijn, met hun oog een vlinder te volgen. Cronopio’s drukken altijd in het wilde weg op een tube tandpasta, zodat er een dik wit of roze lint uitkomt dat alle kleren bezoedelt. (…) Cronopio’s hebben altijd het gevoel er niet helemaal te zijn in welke structuur ook, in welk web ook dat door het leven wordt geweven en waarin zij tegelijkertijd spin en vlieg zijn. Daarom gaat er haast geen dag conflictloos voorbij. Zij leven en zij schrijven in de bedreiging van het voortdurende terzijde-staan. Met name dit laatste zou je de tragiek van de cronopio kunnen noemen. Hij is een idioot en weet dat zelf het beste. (…) ‘Cronopio’s,’ zegt Cortázar, ‘hebben van jongs af aan een hoogst constructief besef van absurditeit.’ Voor de volledigheid nog deze toch wel trieste anekdote over een piepkleine cronopio: 'Een piepkleine cronopio zocht de sleutel van de huisdeur op het nachtkastje, het nachtkastje in de slaapkamer, de slaapkamer in het huis, het huis in de straat. Hier hield de cronopio op, want om de straat op te gaan had hij de huissleutel nodig.’  Julio Cortázar *   Er zijn ook cronopio’s die boeken schrijven. Meer nog, de meeste interessante schrijvers die ik ken zijn cronopio’s of zijn in ieder geval – want het klopt natuurlijk dat schrijvers, enkele uitzonderingen daargelaten, geen groene, vochtige dingen zijn – wezens die met de cronopio een en ander gemeen hebben. Zelf omschreef Cortázar zijn schrijverschap als volgt: Ik beschouw mezelf boven alles als een cronopio die verhalen en romans schrijft zonder ander doel dan dat waarnaar alle cronopio’s vurig streven, met name hun persoonlijke vermaak. Deze beschrijving komt uit een interessant, bij mijn weten nooit naar het Nederlands vertaald essay in briefvorm uit 1967. Ene Roberto Fernández Retamar had vanuit het revolutionaire Cuba aan Cortázar gevraagd om voor een literair tijdschrift enkele pagina’s te wijden aan de situatie van de toenmalige Latijns-Amerikaanse intellectueel, en hoewel hij zichzelf niet echt als een intellectueel zag, en bovendien al meer dan vijftien jaar in Parijs woonde, heeft Julio Cortázar de tijd genomen om uitvoerig te antwoorden. Dit is geen toeval. 1967 is het jaar waarin Cortázar, op dat moment begin vijftig, zichzelf als persoon en als schrijver heruitvindt. Hij verlaat zijn vrouw, laat zijn haar en zijn baard groeien en praat ineens over revolutie zoals hij vroeger over jazz praatte. De Cortázar van voor 1967 is de schrijver van verhalen vol in milde humor en heerlijke fantasie verpakte metafysische en existentiële vragen, de Cortázar van na 1967 bezoekt revolutionaire congressen, tekent manifesten, neemt het op voor Cuba en Nicaragua. Ook zijn verhalen en romans krijgen een explicietere politieke toon. De man die op zijn kamer speelde met woorden en realiteit, omdat het van jongs af zijn geluk en zijn ongeluk was geweest dat hij de zaken niet kon aanvaarden zoals ze waren, klimt op de barricaden voor het socialistische ideaal. Iets verder in zijn brief aan Fernández Retamar, op het keerpunt tussen deze twee visies, vat Cortázar zijn literaire metamorfose als volgt samen: Uit Argentinië vertrok een schrijver voor wie de realiteit, zoals Mallarmé zei, moest uitmonden in een boek; in Parijs werd een man geboren voor wie boeken moeten uitmonden in de realiteit. Zijn dit de twee mogelijke manieren om aan literatuur te doen, de puur esthetische van een geïnteresseerde observator die de realiteit gebruikt om er leuke literaire vormen van te maken enerzijds, en de activistische schrijver die met zijn boeken direct in de realiteit wil ingrijpen anderzijds? Kan een bij momenten nogal cerebrale brief van haast een halve eeuw oud, waarin een sympathieke maar wat wereldvreemde cronopio – misschien onder invloed van een late midlifecrisis – in pijnlijk naar de jaren zestig riekende bewoordingen zijn liefde voor de Cubaanse Revolutie bezingt, voor ons vandaag nog wel betekenis hebben? Uiteraard zijn de twee visies, zoals uitgedrukt in het aangehaalde citaat, extremen waaraan ook Cortázar zich nooit heeft gehouden. Zijn brief is dan ook het werk van een twijfelaar, iemand die een nieuwe positie zoekt en daarbij de tegenstrijdigheden niet schuwt. De eerste reden waarom hij schrijft, relativeert de oppercronopio, is en blijft toch dat hij eenvoudig voor niets anders geschikt is en dat ook nooit zal zijn. Afgezien van het moment waarop actie nodig is tegen systemen die tot censuur of autocensuur van de vrijheid van expressie leiden, blijft zijn grootste bezorgdheid een metafysisch probleem en zijn werk een ‘trage, al zijn aandacht opeisende, eindeloze en egoïstische omgang met de schoonheid en de cultuur’. Toch, betoogt hij enkele paragrafen verder, is iets fundamenteels veranderd. ‘De dagelijkse omstandigheden van deze realiteit die ons verstikt (realiteit? Deze irreële nachtmerrie, deze idiotendans op de rand van de afgrond?) verplicht ons de spelen op te schorten, en in het bijzonder de woordspelen.’ ‘Ik geloof niet meer,’ schrijft hij, ‘zoals ik vroeger op comfortabele wijze kon geloven, dat louter de imaginaire creatie volstaat om de indruk te hebben dat ik mijn rol van schrijver heb vervuld.’ Verder in zijn brief citeert hij een gruwelijke uitleg van Robert McNamara, Amerikaans minister van defensie, over het vernietigende nucleaire potentieel van de VS, en legt uit: ‘Ik citeer deze paragraaf omdat ik denk dat, na hem gelezen te hebben, een schrijver die naam waardig niet naar zijn boeken terug kan keren alsof niets is gebeurd’. Van een schrijver verwacht Cortázar niet dat die zijn geschriften zal gebruiken om pleidooien te houden tegen het imperialisme, maar hij verwacht wel dat hij ‘getuige van zijn tijd’ is. In dezen spreekt hij over ‘responsabilidad y obligación’, verantwoordelijkheid en verplichting.   *   Maar wat nu kan een cronopio, zo’n naïef, idealistisch, onconventioneel en chaotisch wezen, duidelijk niet geschikt om te overleven in onze bakstenen wereld, hiermee vandaag aan? Zo’n wezen is duidelijk niet tot gestructureerde politieke actie in staat. Voor engagement is een cronopio te chaotisch en fantasierijk. Errol Morris, een Amerikaanse filmmaker die mijns inziens te sluw is om een cronopio te kunnen zijn, maakte twee fascinerende documentaires: The Fog of War, uit 2003, een extreem intens interview met Robert McNamara, waarvoor hij een Oscar won, en nu tien jaar later The Unknown Known, over een andere Amerikaanse minister van defensie, Donald Rumsfeld. In Vrij Nederland schreef Kees Driesen hierover een stuk met de duidelijke titel ‘De IDFA documentaire over Donald Rumsfeld is eng. Doodeng.’ The Fog of War was angstaanjagend. Je zag hoe een intelligent en machtig man als McNamara toegaf dat hij er compleet naast zat met de Vietnam-oorlog. Maar The Unknown Known is nog enger, omdat de film aannemelijk maakt dat het mogelijk is om decennialang te functioneren op het hoogste niveau van de wereldpolitiek zonder enigerlei vorm van zelfreflectie. Het naïeve utopische revolutiegeloof dat Cortázar in zijn brief belijdt, is zelfs de meest wereldvreemde cronopio vandaag kwijt. Maar er is nog altijd een wereld ergens daarbuiten, en het is niet zo gek van een schrijver te verwachten dat hij getuige is.     Bronnen   Julio Cortázar, Verzamelde verhalen, vertaald door Barber van de Pol, Meulenhoff 1995. Julia Cortázar, ‘Carta a Roberto Fernández Retamar (Sobre “Situación del intelectual latinoamericano”)’ In: Julio Cortázar, Obra crítica/3, Punto de lectura 2004. Alle vertalingen uit deze tekst zijn van mijn hand. Kees Driesen, ‘De IDFA-documentaire over Donald Rumsfeld is eng. Doodeng.’ In: Vrij Nederland. http://www.vn.nl/Archief/Samenleving/Artikel-Samenleving/De-IDFA-documentaire-over-Donald-Rumsfeld-is-eng.-Doodeng..htm Charlotte Mutsaers, Paardejam, De Bezige Bij 1996.      

Nieuws

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

De onzichtbare

De onzichtbare, uitgeverij Meulenhoff 2003 De debuutroman van Jeroen Theunissen is andermaal een boekje over Vlaanderen, maar voor één keer niet het mythische ‘plat pays’ van Brel of het boerse, katholieke achterland van Claus of Mortier. Vlaanderen is anders geworden, volwassener. Er...Meer lezen

vijf sterren in 'De standaard'

In de boekenbijlage van 'De standaard' krijgt mijn boek van recensent Bert Van Raemdonck het maximum van vijf sterren. Liefst zou ik het hele stuk citeren, maar ik probeer mij een beetje in te houden: 'Theunissen heeft aan de levensloop van zijn hoofdfiguren zoveel kronkels en bochten gegeven...Meer lezen

Papzak van anderhalve kilo

  Deze recensie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli verscheen op recensiesite de...Meer lezen