Uit 'De omwegen'

Opstaan (1994)   Het is niet zo dat Joris, de derde zoon van Guy Goetgeluck en Anita Beck, geen morele vermogens bezat, alleen had hij tijdens de lange periode in bed besloten dat het leven zinloos was, en handelde hij daarnaar toen hij eenmaal opgestaan was. In ieder geval gaf kleine Jo, die altijd al de eigengereidste en baldadigste van de broers was geweest, blijk van een nagenoeg volmaakt, stralend en glanzend egoïsme. Joris, geboren drie minuten na Johan, grote Jo, en twee minuten na Jonas, lange Jo, was meer dan één meter tachtig groot (zijn bijnaam had met lichaamslengte niets te maken) en was atletisch gebouwd, maar hinkte meestal toch een beetje. Zijn onverschillige bewegingen hadden iets dandyachtigs. Warrig en lichtbruin krulhaar liet hij zorgvuldig contrasteren met zijn kleine, priemende, schaamteloze zwarte ogen (waarop hij erg trots was). Niet weinig vrienden, familieleden en kennissen waren heimelijk door zijn bij momenten charmante losbandigheid eerder gefascineerd dan verontwaardigd. Ook had hij een groot talent voor zelfmedelijden. In bed was hij beland in januari 1994, enkele maanden voordat de Jo’s hun achttiende verjaardag zouden vieren. Toen de kerstvakantie eindigde, was Joris op zaterdag inderdaad wat grieperig geweest, deed het ook op zondag rustig aan, en bleef, hoewel hij volledig hersteld leek, op maandag liggen. Eerst schrok men daarvan niet echt, want hij was schoolmoe, spijbelde wel vaker en had een reputatie op het gebied van drugs, geweld, vervalste doktersvoorschriften, respectloosheid, arrogantie en treiterijen (zo had hij een medeleerling met een mes aangevallen, stinkbommen in de thermoskan van de onderdirecteur gestopt en een interimleerkracht Frans zo lang het leven onmogelijk gemaakt dat de man huilend de klas uit was gerend en daarbij op acrobatische wijze over een boekentas was gestruikeld), maar de ongerustheid nam toe toen hij ’s avonds nog niet opstond, en de volgende dag evenmin. De derde dag kwam dokter Klaas Pieters, een man met beklemmend egale gezichtstrekken, een spraakgebrek en verzorgde, caroteenbruine handen op huisbezoek, en vroeg Jo na een vruchteloos onderzoek nog een keertje wat hem nu feitelijk scheelde. ‘Ik houd gewoon een winterslaap, dokter.’ Pieters luisterde toen toch verrast. ‘Werkelijk, een wunterslaap? Voel je pijn? Vermoeidheid? Duizelugheid? Oorsuizungen? Kortademugheid? Tuntelungen?’ wilde hij weten. Hierop antwoordde Joris niet meer. ‘Ach zo, gewoon een wunterslaap’, mijmerde Pieters, die Joris magnesiumpillen en een extra dag rust voorschreef. In de keuken zei hij tegen Anita: ‘Een goed gesprek doet hem musschien deugd. Hoe us het un feite met Guy? Heeft hij het niet te druk?’ De dokter verdween glimlachend en zonder iets aan de situatie van Joris veranderd te hebben. Uiteindelijk bracht Joris veertien weken in bed door, en soms op de sofa. Wie een opmerking maakte lachte hij weg of negeerde hij, en wie te lang aandrong schold hij uit. Hij liet zich (tussen het slapen door) bedienen als een prins. Over het algemeen genoot hij van de aandacht. ‘Broer, we moeten die depressie van je oplossen’, zei op een keer grote Jo, Johan, die als enige al in het appartement woonde dat hun vader in de universiteitsstad had gekocht, en die op zondag even in het ouderlijk huis was (hij had een hekel aan dat ouderlijk huis). Ongerust en enigszins kwaad keek hij Joris aan en reikte hem een portie lauwe rijstpap. Johan, die op vele vlakken de volstrekte tegenpool van Joris was, had op de middelbare school een jaartje kunnen overslaan. Toen al, en later nog, was hij degene die de voorbeeldfunctie vervulde, en dus behield hij voor zichzelf het recht om zijn broers de levieten te lezen. Johan was iemand die terwijl hij sprak aanhalingstekens in de lucht maakte, een uitzonderlijk intelligente jongeman zonder fantasie of gevoel voor humor. Hij studeerde tegelijkertijd filosofie en literatuurwetenschappen, en sprak op zijn achttiende zeven talen. Sommige familieleden noemden hem een genie, eigenlijk onterecht, want zijn intelligentie had niets speels of natuurlijks, maar was het gevolg van erg hard werken en voortdurende stress. Hij leefde volgens een strikt schema en evalueerde zichzelf in zijn dagboek dagelijks op concentratie, discipline en prestaties (maar gaf zichzelf steeds slechte, soms zeer slechte scores, en schreef ook commentaar in de marge: ‘blijf niet te lang in bed, kauw bij iedere hap twintig keer, betere organisatie vereist’). Johan holde als een dolleman zichzelf voorbij, en zei soms: ‘Ik besta niet echt’ (waarbij hij aanhalingstekens rond het woord ‘besta’ maakte). Hij lachte nooit. Omdat hij slaap als tijdverlies zag, viel het hem onmogelijk te vatten wat zijn broer bezielde, laat staan dat hij het goedkeurde. Joris antwoordde op de opmerking van zijn broer alleen maar: ‘Hoezo, oplossen? Wat een gek woord.’ Hij lag in de sofa ironisch en baldadig te grijnzen en te geeuwen, haalde boven de deken zijn schouders op en keek langs zijn broer naar de door hun vader geschilderde, maar nogal beverige kopie van Magrittes schilderij Het onverwachte antwoord. ‘Je. Depressie. Oplossen’, herhaalde grote Jo afgemeten en veegde de lange haarlok weg die altijd voor zijn ogen viel en die soms vlam vatte aan de punt van zijn sigaret. Hij had een weke trek rond de mond, die misschien slechts door het vele roken werd veroorzaakt, zijn stem was hoog en rasperig. ‘Moet dat echt, depressies oplossen?’ Van depressie vertoonde Joris geen enkel verschijnsel, tenzij misschien vermoeidheid, maar die werd slechts door het vele slapen veroorzaakt, en was zelfs geen echte vermoeidheid, alleen een met vuur en volharding gespeelde lethargie. ‘Je zou gezond kunnen worden, broer,’ zei Johan, ‘je was een levendig kind.’ ‘Ik was geen levendig kind.’ Maar onverstoorbaar redeneerde Johan door: ‘Je zult er zelf voor moeten kiezen om gezond te worden. Je kunt ook in psychoanalyse.’ Johan wilde het kort houden, want hij wenste snel terug in zijn studeerkamer te zijn. ‘Breng me een glas limonade met twee rietjes. Zeg, broer, ken je een Tina?’ ‘Eh, nee, zegt me niets.’ ‘Belde me op.’ Hij draaide zich om in de sofa, en viel glimlachend en zelfvoldaan in een halfslaap. Hij droomde van Tina, die hij nog nooit had gezien (of één keertje, als vierjarige). Toen hij al bijna twee maanden bedlegerig was geweest, had op een nog wat frisse ochtend de telefoon gerinkeld. Joris was op dat moment alleen thuis geweest, lag in de woonkamer op de sofa, en wachtte ongeduldig tot de irritante rinkel zou verdwijnen. Hij mijmerde over reizen die hij kon maken, over hoe hij vol en hevig zou leven,  hoe hij vrij en ongebonden zou zijn. Zijn moeder, Anita, die alles deed om het hem naar zijn zin te maken, die sinds Klaas Pieters haar zoon opgegeven had (‘want een wunterslaap us geen ziekte’) ieder alternatief en homeopathisch middeltje had geprobeerd (maar die middeltjes hielpen niet), was naar de winkel om ecologische gember te halen voor haar thee, die ze zelf iedere dag dronk en waaraan ze grote krachten toeschreef. Joris draaide zich misnoegd van het geluid van de telefoon weg. Onlangs nog had hij zijn vader verboden de staande klok, een erfstuk in een overdadige neorococostijl, op te winden, omdat hij het getik niet verdroeg. Maar blijkbaar was deze beller een aanhouder. Na twintig rinkels zag Joris geen andere mogelijkheid dan toch op te nemen, moest (zuchtend en vloekend) zijn arm van onder de grijzige plaid vandaan halen en achter zijn in het kussen begraven hoofd brengen. Joris hoorde een duidelijke stem met een licht hysterisch timbre: ‘Ik ben Tina.’ Hij antwoordde niet. ‘Ik ben Tina,’ herhaalde ze, ‘uit de Keizerstraat.’ Ze klonk gejaagd. ‘Je hebt me gewekt.’ ‘Heb ik je gewekt? Dit is Tina, ik…’ ‘Keizerstraat, zeg je?’ ‘Eh, ja.’ ‘Welk huisnummer?’ ‘Hoezo, welk huisnummer?’ ‘In de Keizerstraat.’ ‘Vijfendertig. Is dat van belang? Maar… Papa…’ ‘Wie?’ ‘Is dat Guy? Goetgeluck?’ Ze aarzelde een moment, hij kon haar snelle ademhaling horen, toen hing ze op. Joris keek naar de hoorn, legde die ten slotte op de haak. Hij haalde zijn schouders op, en ging staan. Op een blaadje papier schreef hij: ‘Keizerstraat 35, Tina.’ Glimlachend wandelde hij rond. En ineens, nu hij zich tussen de televisie en de salontafel uitrekte, nam hij in zichzelf een groot verlangen, een felle begeerte waar. Hij opende het raam en keek naar de nog kale beukenbomen achter de tuin, en vlak ervoor de kleinere notenboom als een kind dat uit een groep volwassenen is weggerend. Met volle teugen, met haast religieuze toewijding, alsof hij zijn hoofd uit een langzaam rijdende trein stak die zich langs een steil pad in de bergen een weg zocht, snoof hij de koude lucht op. Hij sloot het raam, opende het, snoof andermaal de lucht op. Hij voelde zich al weer moe en had medelijden met zichzelf vanwege die opkomende vermoeidheid. Rustig maar aan, dacht hij, rustig, want het is nog frisjes, en hij sloot het raam opnieuw. Joris ging naar de badkamer, poetste voor het eerst sinds dagen zijn tanden, kon de straat op als hij dat wilde. Tegen de tijd dat zijn moeder thuiskwam, lag hij opnieuw in de sofa, diep in slaap. Ongeveer een maand later, enkele dagen voordat de Jo’s hun achttiende verjaardag zouden vieren, stond hij op. Er was geen reden voor, maar er was ook geen reden om te blijven liggen. Hij besloot dat hij, nu de winterslaap voorbij was, wild en intens zou leven. Hij wilde vrijheid. In zijn kleren dook hij. Hij poetste zijn tanden, schoor zich, maar liet een snorretje staan en daalde de trap van het stijlvolle landhuis af. Uit de portemonnee van zijn moeder, die in de woonkamer op een mahoniehouten tafeltje lag – er stond in het huis een aantal dure en stijlvolle meubelen, al ontbrak de samenhang – haalde hij geld. Zonder een berichtje achter te laten reed hij met zijn donkerblauwe fiets, waarvan hij eerst vloekend de banden opgepompt had, door het geordende bestaan van enkele woonwijken een verre, niet onmogelijke leegte tegemoet, terwijl hij zich een toekomst voorstelde, en het volgende moment een andere toekomst (vaak was hij in zo’n toekomst een held die het voor de verdrukten opnam, en die verdrukten – mooie mensen – prezen hem dan). Luchtkastelen moest hij bouwen, en in die luchtkastelen wonen, en er, wanneer hij er woonde, naar andere luchtkastelen hunkeren. Uit alle macht schreeuwde Joris terwijl hij in de verkeerde richting een rotonde opdraaide naar de horizon. Er kwam geen antwoord, en hij schreeuwde opnieuw. Toen hij lang na donker terugkwam, stond zijn moeder hem op te wachten aan de achterdeur – haar altijd jonge gezicht reflecteerde de maan. Ze trilde over haar schriele lichaam. ‘Ik heb honger na die fietstocht’, zei hij en plaatste twee doorschijnende plastic zakken vol aardbeien op tafel. ‘Waar was je zo lang?’ Hij haalde zijn schouders op, en liet zich omhelzen. ‘Huil maar niet, mama’, zei hij, welhaast teder, en rukte zich bruusk los. Toen zijn moeder de aardbeien gewassen had, ging Joris (zonder haar te bedanken) met de zakken naar de tuin en jongleerde in het witte licht van de maan en het gele licht van die ene lantaarnpaal eerst met twee aardbeien in één hand, eerst de linker- en dan de rechterhand, om te zien of hij het nog kon. Het lukte, dus nam hij drie, vier, vijf, zes aardbeien en jongleerde. In hem jakkerde een wilde euforie. Sommige aardbeien plette hij tegen de gevel. Toen hij weer naar binnen kwam, vroeg hij aan zijn moeder: ‘Ken je trieste aardbeien nog?’ Maar ze begreep hem niet, en keek hem met haar open en tactloze, deemoedige gezicht niet-begrijpend aan. ‘Trieste aardbeien’, herhaalde hij schouderophalend. Na middernacht kwam zijn vader thuis en zei, terwijl hij zowel echtgenote als zoon een bemoedigende schouderklop gaf, waaruit ondanks zijn constante afwezigheid een fiere vaderliefde moest blijken: ‘Is het waar wat ik hoorde? Ben jij wakker, mijn zoon? Dat is prachtig nieuws, we vieren het, en wel in gezinsverband, zoals het hoort. Kom, geef je vader een knuffel zoals volwassen mannen dat doen.’ Guy Goetgeluck knipoogde (waarbij hij zijn mondhoek altijd zo ver optrok dat je zijn kiezen zag) en opende zijn zware armen. Kleine Jo zweeg. Toen zijn vader sliep, vond Joris ook in diens portefeuille geld. Lang ging hij uit.   (p 13-19)   © Jeroen Theunissen, De omwegen, De Bezige Bij Antwerpen, 2013

Fragment

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

Don Quichot

De lente is in het land, en ik geniet van fluitende vogeltjes, quads, grasmaaiers in de verte, wielertoeristen en ruisende beekjes. Een veel te lange tijd heb ik door grote drukte niets geschreven. Vanaf vandaag begin ik met nieuwe moed opnieuw, en zal alweer trouw iedere twee à drie weken...Meer lezen

Don Quichot

Deze korte lezing over Don Quichot hield ik op dinsdag 28 februari 2012 op een door 'Het beschrijf' georganiseerde avond rond klassiekers, in Passa Porta. Wat maakt een boek klassiek, met welke bedoelingen en verwachtingen worden klassiekers nog gelezen? Andere sprekers waren Kristien...Meer lezen

Ernest

Ernest   Toen Ernest zijn echtgenote tijdens de afdaling hard in een grijze afgrond duwde, leek de gil die hij hoorde nog het meest op verdoofde pijn bij de tandarts. Twee uur later bereikte hij de bemande berghut waar ze die ochtend heel vroeg vertrokken waren. Onervaren en onvoorzichtig...Meer lezen