Uit: 'Een vorm van vermoeidheid'

HIJ IS een normale man, maar heeft nu eenmaal chaos in zich. Hij ook, hij beseft dat, dus moet hij opletten voor romantiek. Hij moet zich verweren tegen overdreven hoop, tegen metafysica, tegen het irrationele. En heeft een muurtje opgetrokken. Ironie is belangrijk. Het is logisch, vindt hij zelf. Hij is een man die de dingen zoveel mogelijk onaangeraakt wil laten en houdt ervan glimlachend de honderdduizenden lifestyles te bekijken van die volwassen kinderen die elke dag opnieuw met dodelijke ernst, met onverzettelijke sérieux, met interessante overtuiging doen wat ze doen alsof het ertoe doet. Omdat de aarde of in elk geval de westerse wereld klein is, zegt men tegen hem: ‘Je bent een echte wereldburger.’ Hij heeft geen thuis, maar soms beweert hij zelf: ‘Mijn thuis is mijn gezin.’ Op een vlotte manier kan hij met de fiets, het openbaar vervoer, het vliegtuig of de auto overal heen en geniet er en koopt er een souvenir. Europa komt hem voor als een soort gebouw, als een groot en gezellig huis waar men door de verlichte gang van de ene kamer eenvoudig naar de andere kan. De onbereikbaarheid is uitgewist; hij weet dat Antarctica een topbestemming wordt, dat de Mount Everest klaarligt en dat de excentrieke zakenman Robbie King het als zijn missie ziet om zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen tegen een betaalbare prijs als toerist de ruimte in te sturen. Toerisme is het einde van de romantiek. En in die wereld die in kaart is gebracht, ziet hij van zijn eigen gebrek aan oriëntatie de humor in. Al kan hij bogen op een meer dan behoorlijk geheugen, al overbluft hij collega’s door in verschillende talen auteurs en denkers uit het hoofd te citeren, wanneer hij in een onbekende stad twee straten loopt, moet hij een uur zoeken om het vertrekpunt terug te vinden, en wanneer hij tijdens een weekendreisje een heuvel op wandelt, daarbij zijn echtgenote met de kleine Susana beneden in de vallei achterlatend, ziet hij hen pas later, na lange dwaalwegen terug. Het is een vervelend, maar al met al onschuldig gebrek. Hij woont en werkt tegenwoordig in een pittoresk Europees universiteitsstadje als specialist in Spaanse en Hispano-Amerikaanse literatuur. Dat hij hier terechtkwam, is – zoals al het andere – toeval. Zijn proefschrift ging over de invloed van Arthur Schopenhauer op het werk van Jorge Luis Borges. Hij is vierendertig jaar oud en kent zijn rol: een jonge academicus in een apolitiek vak, iemand die van literatuur en van muziek houdt, met een interessante klassieke selectie en een uitgebreide keur aan jazz en tango (hij danst zelf ook), een stijlvolle man en sinds geruime tijd houder van de graad eerste kyu in aikido, al beoefent hij die sport intussen niet meer, iemand die niet van lawaai houdt en die soms ecoproducten koopt omdat hij en Brigid er het geld voor hebben. Hij is een man die niet gelooft maar wel functioneert, en hij mag tevreden zijn. Hij is intelligent. In een comfortabele bel leeft hij, in een glazen paleis, in een overzichtelijk stadje met lage werkloosheid, amper criminaliteit, een hoge levensstandaard en een jonge bevolking. In feite is deze plek, zo prachtig gelegen tussen heuvels met bossen en wijngaarden, de concrete uitwerking van een maakbaarheidsprincipe. Het heet in brochuretaal ‘uniek, enig in zijn soort, een plek waar men het verleden ontmoet in het liefdevol bewaarde middeleeuwse vitale centrum, dat toeristen uit de hele wereld betovert’. Maar dit propere provincienest, dat wereldstad is, leeft – aldus dezelfde brochure – in de toekomst zo goed als in het verleden: de burgerinspraak heeft een lange traditie, stedelingen kunnen zich inzetten in programma’s voor volksgezondheid of schoonmaak van het oude stadsdeel. Cultuur, sport en kunst krijgen ondersteuning. Er is een verkeersplan, degelijk en schoon openbaar vervoer, en er wordt bewust voor het milieu gekozen. Omdat rebellie, protest en non-conformisme al lang modeverschijnselen zijn, is hij een burgerlijke man die probeert om werk, hobby’s en financiële zekerheid belangrijk te vinden. Hij spaart voor zichzelf, voor zijn gezin en voor zijn kind. Nuancering vindt hij alleszins belangrijk. Al lang heeft hij besloten om een niet te ingewikkeld leven te leiden zonder pieken of dalen. Hij slijt een fijn bestaan in bibliotheken, op binnenlandse en buitenlandse congressen en in auditoria. Hij is een vriendelijke buurman, in politiek geïnteresseerd wanneer die zijn persoonlijke welbevinden betreft; hij engageert zich – meer uit gewoonte dan uit overtuiging – af en toe in kleinschalige projecten of geeft een beetje geld, hoort op de radio dat honger een schande is, gaat zelden maar niet eens nooit naar manifestaties. Hij vrijt voldoende. Een pauze heeft hij gekregen tussen twee periodes van niet-bestaan, dat is het voornaamste, en hij vindt dat hij niet te gek moet doen: leven is pijn vermijden. De Grieken noemden het aponia. Maar op een dag voelt hij pijn. Hij neemt een onaangename, scherpe druk waar aan beide kanten van de ruggenwervel. Het is een gevoel of hij vleugels krijgt, vleugels die uitbreken zoals tanden bij een kind. Een week later blijkt dat hij een operatie moet ondergaan onder totale verdoving. In het hospitaal aan de rand van de stad, dicht bij de plek waar hij soms gaat joggen, waar in de jonge loofbossen het geraas van de autoweg te horen valt, onafgebroken en haast zo subliem als een aanspoelende zee, meldt hij zich. Ondanks alles – al geeft hij het niet toe, niet aan de anderen en niet aan zichzelf – is hij bang. De temperatuur blijft constant. Zijn echtgenote zit bij hem. Wanneer hij slaapt, kijkt ze naar zijn brede, op het maniakale af symmetrische gezicht. Links rond zijn mondhoek ligt – de enige breuk in die symmetrie – een streng ironisch trekje, dat rimpel is geworden. Halflang donker haar valt boven zijn hoge voorhoofd in twee gelijke helften op het kussen. Hij is één meter zesentachtig groot. Straks, wanneer zijn lichte ogen opengaan, weet ze, zal opvallen hoever uiteen ze staan, of ze bang zijn te vergeten te zien. Men legt hem aan hoogtechnologisch materiaal, de dokters en de machines doen hun werk, de operatie slaagt. Er is haast niets gebeurd, enkele weken fysiotherapie. Wanneer hij het hospitaal verlaat, is de eerste zintuiglijke prikkel die hem vol treft, op het moment dat de deur automatisch en foutloos openschuift, de afstandelijke naregengeur. Hij ziet het natte asfalt. Met een vanzelfsprekendheid die hem verbluffend voorkomt, opent Brigid het portier van hun Toyota. En hij stapt in, zij rijdt, hij vergeet zijn gordel om te doen en zij berispt hem. Even gaan de ruitenwissers aan. Bewonderend kijkt hij vanuit zijn passagierspositie naar de weg en naar de toverachtige straatverlichting. Na een korte rit stoppen ze aan de rand van het autovrije centrum, parkeren op het plein voor de cinema, vlak bij hun woning. Het is winter en hij houdt ervan om in de stilte van de onbeweeglijke muren en de kale bomen, als er rijp of sneeuw is, naar binnen te kijken in de oude woningen, hopend dat de mensen er zitten. Er gaat een zeker welbehagen van uit. Brigid duwt de deur open, gaat als eerste binnen, hij duwt de deur achter zich in het slot, zodat de kou verdwijnt als lucht door een blaasbalg. Ze gaan de trap op. De twee bovenste verdiepingen van een groot huis in vakwerkbouw zijn van hen. Boven opent Brigid opnieuw een deur. Het is vreemd dat hij zich hier iets herinnert uit zijn tienerjaren, iets wat lang geleden is. Hij bracht soms – eerder zelden, maar het gebeurde – zonder aanwijsbare aanleiding met een mes of een schaar wonden toe in zijn buik of op zijn armen, kerven die als enige doel hadden dat ze pijn – de pijn, die zo nutteloos is en die vermeden moet worden – zouden opwekken. Het was of hij die pijn nodig had om te beseffen dat hij leefde, dat hij bestond. Hij vraagt haar om licht te maken, herkent hun vestibule; er is niet veel veranderd. De paraplubak bevat dezelfde paraplu’s, dezelfde jassen die van de kapstok af hangen bedekken de spiegel op vergelijkbare wijze, het houten beschot tegen de onderste helft van de wand mengt nog altijd mufheid met gezelligheid. In het deurgat naar de woonkamer wacht hun dochtertje hem op, dwingend en zachtaardig: Susana, acht, is een muzikaal wonder. Ze ziet eruit of ze voorzichtig behandeld moet worden; haar armen laat ze hangen. Hij streelt en omhelst haar, neemt waar dat ze zacht lacht van ontroering. Hij is vrij jong vader geworden. Ze is fris. Snel wandelt hij door de woonkamer naar de eetkamer. De tafel in massieve mango naturel en de bijpassende stoelen, overgenomen van een collega, staan er. De waardevolle designlamp in de vorm van een spin, die hij voor een prikje op het internet kocht, hangt erboven. De herinneringen uit Peru zijn onaangetast. Vanuit zijn gemakkelijke zitstoel, zijn poëziestoel, hoeft hij nog altijd maar achter zich te tasten om bijvoorbeeld de onlangs aangeschafte verzamelde verzen van César Vallejo uit zijn collectie te grissen. De hoge, witte boekenkasten met het laddertje (maar dat staat boven, in zijn werkkamer) zijn identiek. De piano kent hij. Het is oké. Zijn tas met spullen staat aan de kant, al is hij eerder in een vreemd (zeker aardig) huis op bezoek dan thuis. Brigid heeft gekookt. Er is opgeruimd. En hij vraagt zich af of hij, plots een rommelig en vreemd element, niet stoort in die nette, beheerste omgeving waar een zweem van fleurig reinigingsproduct hangt. Hij neemt het zout, glimlacht, prijst de groente en de quiche met de stukjes zalm. ‘Wist je dat asperges rauw enigszins giftig zijn?’ vraagt ze. ‘Nee,’ zegt hij, ‘dat wist ik niet.’ Ze herhaalt het en voegt toe: ‘Ze komen uit Spanje, het seizoen is nog niet begonnen.’ Voorzichtig wordt hij in de watten gelegd, geïnitieerd in wat hij door en door kende, aanvaard had. Ze is attent op die minzame, foutloze manier van haar, een manier die hij vroeger aantrekkelijk vond, die hem mild stemde, een manier die uitzicht bood op een lange, veilige nacht. Strak kijkt hij in de designlamp; wanneer zijn blik de lichtexplosie verlaat (om langs het gezicht van Brigid naar de dubbele deur te reiken), ziet hij zilveren stipjes op het plafond. ‘Natuurlijk’, antwoordt ze op een niet-gestelde vraag. Een moment treuzelt hij, maar ze vult aan dat er geen sprake van kan zijn dat hij met afruimen helpt; haar handen waaieren. Hij grijnst onhandig maar dankbaar naar zijn echtgenote, werpt haar een handkus toe, zoals vaak wanneer het repertoire uitgeput geraakt. Haar en Susana zoent hij welterusten, dan stommelt hij de trap op naar de slaapkamer, negeert de ingelijste foto’s, gaat naar het toilet, poetst zijn tanden secuur, kijkt in de ovale spiegel en zoekt misschien of hij – zoals de traditie wil – in zijn ogen zijn ziel vindt. Niets. Uiteraard niets. ‘Waarom houd je aan, opdringerige spiegel’, dichtte Borges. In de kamer vallen zijn handen op de donsdeken, op zijn handen legt hij zijn voorhoofd, zijn haren hangen erover. Hij neemt de tijd niet om de hele ruimte, bijvoorbeeld de nachtkastjes of de garderobe, te bekijken, maar gaat naakt liggen in een bed dat te groot is voor hem. Drie kwartier zwemt hij onhandig op de kwaliteitsmatras, die volgens de folder alle rugklachten wegneemt. Uitputting komt. Hij slaapt. (p 6-14)   © Jeroen Theunissen, Een vorm van vermoeidheid, Meulenhoff-Manteau, Antwerpen, 2008

Fragment

Andere (gerelateerde) nieuwsberichten

Don Quichot

De lente is in het land, en ik geniet van fluitende vogeltjes, quads, grasmaaiers in de verte, wielertoeristen en ruisende beekjes. Een veel te lange tijd heb ik door grote drukte niets geschreven. Vanaf vandaag begin ik met nieuwe moed opnieuw, en zal alweer trouw iedere twee à drie weken...Meer lezen

Don Quichot

Deze korte lezing over Don Quichot hield ik op dinsdag 28 februari 2012 op een door 'Het beschrijf' georganiseerde avond rond klassiekers, in Passa Porta. Wat maakt een boek klassiek, met welke bedoelingen en verwachtingen worden klassiekers nog gelezen? Andere sprekers waren Kristien...Meer lezen

Ernest

Ernest   Toen Ernest zijn echtgenote tijdens de afdaling hard in een grijze afgrond duwde, leek de gil die hij hoorde nog het meest op verdoofde pijn bij de tandarts. Twee uur later bereikte hij de bemande berghut waar ze die ochtend heel vroeg vertrokken waren. Onervaren en onvoorzichtig...Meer lezen